Mij is de wrake – over vechtfilms

Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als een moker bovenop hun hoofd sloeg. Terence een slimme, knappe, blonde kerel die vooral snel was. Ik zat als ventje tegen de stevige schouder van mijn vader aan deze films te kijken, die hij blijkbaar ook heel leuk vond.

Inmiddels ben ik werkelijk honderden vechtfilms verder en vraag ik me af: waarom eigenlijk? Erg gewelddadig ben ik niet. Ik doe nog net een vlieg kwaad. Het is omdat de overheid net niet goed genoeg voor ons zorgt. Dat zit zo. De overheid heeft in de grootste delen van de westerse wereld een monopolie op geweld. Mensen zijn ontwapend om de zaken een beetje in de hand te houden. Als er iets misgaat lost het rechtssysteem dat voor ons op: we hoeven (of mogen) ons recht niet zelf halen: het wordt ons gebracht. De politie draagt wapens, maar wij niet. Als ons iets overkomt klagen wij de verdachte ervan aan en als de verdachte schuldig wordt bevonden krijgt hij daarvoor straf. Een deel van die straf is wraak; het moet voor het slachtoffer voelen alsof hem genoegdoening wordt verschaft. Bij wraak staat de persoonlijke verhouding tussen slachtoffer en dader centraal; bij straf gaat het om de verhouding tussen de dader en de rechtsorde.

Hier zit het klassieke verschil tussen mensen die hoge straffen willen en mensen die lagere straffen oké vinden: laag voelt voor de eerste groep als te weinig genoegdoening. Hoog is voor de tweede groep vanwege onderzoeken die zij raadplegen zinloos: de rechtstaat functioneert niet beter bij hoge straffen, de recidive is bijvoorbeeld bij hogere straffen niet lager. Er is, kortom een optimum. Het gaat om proportionaliteit.

Maar je voelt niet altijd dat het rechtvaardig is. En misschien verklaart dat het succes van vechtfilms. Door wraak te zien voel je je ‘genoeggedaan’. Het brein werkt zo, je voorstellen hoe iets is en het dan wellicht net veranderen werkt. Zie ook traumatherapie.

Vaak wil je dat wie jou kwaad doet harder gestraft wordt. Om dat te compenseren kijken met name mannen aan de lopende band vechtfilms. Wraak is een oeroude emotie.

Netflix is een zichzelf op termijn opheffend verdienmodel, denk ik: de bubbel waarin het mij heeft geplaatst is zo extreem eenzijdig, dat alle films die ik voorgeschoteld krijg hetzelfde zijn en mij voor wie me zou willen leren kennen via mijn account zeer angstaanjagend maken. Wraak. Ik smeek er altijd om als we een film over een lief hondje gaan kijken of het op mijn account mag: om mijn algoritme op te voeden.

Leviticus 24: ‘Als ook iemand aan zijn naaste een gebrek zal aangebracht hebben; gelijk als hij gedaan heeft, zo zal ook aan hem gedaan worden: Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden. Wie dan enig vee verslaat, die zal het wedergeven; maar wie een mens verslaat, die zal gedood worden.

Lex talionis — het principe van oog om oog, tand om tand. Grappig genoeg is dit voor het oor wat harde rechtsbeginsel oorspronkelijk bedoel als regulering: niet een totaal gebit uit een mond slaan als jou een tand gekwetst is, maar een tand. Precies evenveel dus.

In een film uit 1999 met Mel Gibson – Payback – wordt dat als grap uitvergroot. Porter, de hoofdpersoon wordt na een geslaagde overval door zijn kompanen beroofd en voor dood achtergelaten. De volgende 100 minuten zijn een orgie van wraak, waarin hij steeds maar weer moet herhalen voordat hij weer iemand doodschiet dat het niet $130.000 dollar is die hij terug wil, zoals ze lijken te denken, maar $70.000. Die geproportioneerdheid is interessant. Het is wraak en genoegdoening, maar het is precies genoeg.

De film vertoont een opvallende gelijkenis met de blueprint van veel van dit soort wraakfilms: Heinrich von Kleist’s novelle  Michael Kohlhaas Aus einer alten Chronik, waarin een paardenhandelaar (overigens op zijn beurt historisch) onheus bejegend wordt door iemand uit de lage adel, en via de reguliere wetswijzen zijn gelijk niet krijgt, en het dan tracht te nemen. Hij wordt uiteindelijk ter dood veroordeeld maar hoort net op tijd dat hem recht is gedaan. (En voert kort voor zijn dood nog een kleine mooie listige wraakactie uit…)

‘That’s what they took from me, and that’s what I’m going to get back. Tell them it’s $70.000, not $130.000’

De voorspelbaarheid van de vechtfilm is een bijkomend element van het welbehagen dat de kijker zoekt: rechtvaardigheid, maar ook voorspelbaarheid. De slechteriken vermoorden familie van de held, zijn buitengemeen arrogant en voelen zich ver verheven boven de held. Via een omcirkeling van onderknuppels waarmee ze zich omgeven en die eerst uitgeschakeld moeten worden, komt de held in zijn woede steeds dichter bij de grootste schurk en die wordt in de laatste 20 minuten uiteindelijk gedood in een fraai gechoreografeerd gevecht, en daarmee is de wraak volbracht. Na honderd en meer films weet ik tot op de seconde nauwkeurig wanneer wat gaat gebeuren. Altijd weer. En ik kan er geen genoeg van krijgen? Moet ik naar de psychiater? Dan wel met al die andere boze mannetjes die die films bekijken…

De wraak is proportioneel: alleen de duivels vermoorden familie. Het Duitse begrip Sippenhaftung: aansprakelijkheid volgens verwantschap komt nooit voor in een vechtfilm. Blijkbaar voelen we dat nu niet (meer) als rechtvaardig, tot in het derde geslacht straffen, of alle mannelijke familieleden doden. Aristoteles neemt orgē (woede) overigens ook zeer serieus als menselijke emotie. Woede ontstaat wanneer iemand meent onrechtvaardig behandeld of vernederd te zijn.

Maar echt onrechtvaardig behandeld of vernederd voel ik me niet. Hoe diep zit zoiets eigenlijk: als je ooit eens een dreun hebt gekregen van een rotjochie toen je zes was en je kon die niet vergelden: blijf je dan de rest van je leven aan vechtfilms hangen? Zolang ik vechtfilms, of wraakfilms kijk – goede zijn bijvoorbeeld Nobody met Bob Odenkirk, Death Wish met de prachtige Litouwer Charles Bronson, de trilogie met Denzel Washington (The Equalizer), veel films met Jason Statham, ‘Parker’ bijvoorbeeld, de Liam Neeson ‘Taken’-reeks – valt verder op dat precisie elementair is. En dat de wrekers er niet van lijken te genieten. Het moet gewoon gebeuren. De makers van de film hebben in van alles hun best gedaan aannemelijk te maken dat deze wraakengelen verstand van proportie hebben (Denzel Washington schat bijvoorbeeld vrij nauwkeurig in hoeveel seconden hij de zes ploerten, en hoe precies, om zeep helpt). Het is geen blinde woede dus, maar een afgemeten reactie. Precies wat we nodig hebben.

En omdat de wraak afgemeten is, kan de kijker die door zijn rechtssysteem misschien onvoldoende bevredigd wordt tevreden gaan slapen, er is precies genoeg rechtgedaan.

Tot je de krant van morgen weer openvouwt.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Onder de moede blaren – over het bos

De encyclopedie van het geluk 31

Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een plek kunt zwemmen waar twee waterstromen samenkomen, zo is in een bos een grens tussen naald- en loofwoud altijd goed voelbaar: je ruikt er meer en er zijn dieren vanuit hun verschillende biotopen. Daar zie je een zwarte specht, daar hoor je een boompieper of een kuifmees. Daar zie je een wild zwijn wegschieten.

‘De geuren van het najaar: vanwaar ze komen, hoe ze worden gemengd, valt niet vast te stellen, rottende bladeren en naalden, het vocht van de witte draden van de zwammen in het zwart onder de glibberige vuilbomen waarop de schors loslaat. Vanwaar ze waren blijven staan konden ze overal om zich heen goede standplaatsen zien. Open plekken, van elkaar gescheiden door een ruige muur van jonge sparren, de sleuf op de grens van het hoge naaldbos, schuin erop nog een die het bos in leidde, zo vlak als een weg begroeid met mos, met een paadje in het midden. Het wild houdt zich aan zijn gewoonten. Bang geworden beschrijft het in zijn poging zijn vervolgers kwijt te raken een boog en kiest een van de wegen die het dagelijks gebruikt. Uit het halsgeven van de honden leid je de richting af, je moet raden welke doorsteek ze kiezen en er dan op tijd bij zijn. De aandacht van het wild is zo geconcentreerd op de honden achter ze, dat het geen gevaar voor zich verwacht, het loopt recht op de mensen af.’

In Czesław Miłosz zeer prachtige autobiografische roman Het dal van de Issa speelt bos en jacht een belangrijke rol. Met dien verstande dat hij uiteindelijk niet goed blijkt te kunnen doden. Het bos is ook in zijn beschrijving ervan altijd magisch.

In een Nederlands bos heb je zo nu en dan ook een stuk waar het natter is en waar een andere vegetatie te vinden is, dat zijn de mooiste stukken, die je onthoudt en waar je naar teruggaat, het is er ook op de bodem begroeid en de diversiteit van plantensoorten is groot: en de fauna die daar dan weer bij hoort. Hier vind je ook de wildpaadjes.

In corona liep ik regelmatig na ’s avonds bij mijn oude moeder gegeten te hebben door een pikzwart bos – soms in spertijd – naar mijn huis. Zeven kilometer zonder dat je een hand voor ogen zag, alleen omdat ik de weg kende kon het. Je navigeert op geur en geluid. Geritsel maakt je wel eens ongemakkelijk. Van een uil die zeer nabij geruisloos opdoemt schrik je je echt een ongeluk. Een fascinerende ervaring. Het vreemdst was een ontmoeting met een fietser, met een wonderlijke aanhangwagen aan zijn fiets die alleen heel vrolijk ‘hallootjes’ riep en doorfietste, de indruk wekkend dat hij nacht in nacht uit door een donker bos fietst. Maar waarom? Wie was die man?

De spiegeling van bladeren en lucht in een grote plas zijn prachtig in een bos. In sommige diepe plassen schuttersputjes zitten kikkervisjes in de lente. Waar mos groeit klinkt het anders. De geur van een bos is iets onvergelijkbaars: rotting en frisheid dooreen. Soms vind je in de zomer een plek waar niemand komt en waar je kunt gaan liggen op mos of blad en naar de wuivende boomtoppen staren, wolken zien langstrekken, misschien even wegzakken zelfs. Oppassen dat je niet in de baan van een wildcamera staat, ik trof er al twee. In een bos verdwijnt de wereld en komt een oud oergevoel terug: er te horen.

De bossen in

Soms kan ik niets meer doen
dan bladeren verzinnen,
naar bladeren verlangen.
De bossen wil ik binnen.

De zon vreemd en groen
door duisternis vervangen.
Het wakende bedaren
onder de moede blaren…

schreef Leo Vroman. En zo is het precies. Dromen van bladeren kun je zelfs. En ook wakend is een bos een veld van stille aanwezigheid. Er is overal iets. Maar wat?

Drie literaire bosbaden: ik ken geen bossiger boek dan Pierre Bergounioux’ Een stap en dan de volgende: ‘Elke morgen vouwde juli zijn verbleekte achterdoek uit. De vogels zwegen. Op een dag deed augustus ongemerkt zijn intrede. De stamper danste als vanzelf op de klanken van het koper. Op mijn armen, die de kleur hadden van bukshout, trokken de spieren bol. Het werk vorderde in de richting van de brug. Na het fluitsignaal was ik al snel bij de vrouwelijke boom, maar de avond liep sneller dan ik. Wanneer ik mijn plaats innam tegen de buik van de wilg, was bijna al het licht weggetrokken uit het water.’ Het is een bosbouwboek, net als Train Dreams van Denis Johnson, en Norman Macleans A River Runs Through it.  De wereld van wie de bossen het intensiefst bevolken: de houtvesters en de bosarbeiders.

Dat werk kun je beter niet romantiseren. Maar elk uur in een bos besteed is een goed uur. De bomen zijn goed gezelschap. Ze leren je minstens dat je een leven lang stil kunt blijven staan.

Jerker Spits Onder het bladerdak
Norman Macleans Er loopt een rivier doorheen (vertaling Dirkjan Arensman)
Pierre Bergounioux’ Een stap en dan de volgende (vertaling Marianne Kaas)
Czesław Miłosz Het dal van de Issa (vertaling Gerard Rasch)

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Veerkracht

Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij en zijn partner Elly de Waard niet thuis waren en hun woning volledig in vlammen opging. Jan van der Vegt schrijft hierover in Ons Erfdeel (Jaargang 17, 1974):

   ‘Bijna alles in dat huis ging verloren, de brand sneed hem af van een groot deel van zijn leven. Manuscripten van gedichten, tekeningen (…), een voor uitgave gereed liggend prozaboek, brieven, het nooit uitgegeven literaire werk van zijn grootvader, hij was het bijna allemaal in één slag kwijt. Maar hij reageerde met een veerkracht die hij wel leek te hebben overgenomen van de natuur waar hij zo dicht bij leefde.’

 We staan weer achter het hek, mijn maat en ik. Het is een doodse bedoening in het weiland. Zou het een veeg teken zijn? We rakelen een oude ergernis op. Die lui, zeggen we, die vonden het eierzoeken dieronvriendelijk, nee, sterker nog, in wat ze beweerden hoorden we een beschuldiging, wíj zouden de achteruitgang van de weidevogels op ons geweten hebben, maar nu hoor je die lui niet, nu blijkt dat de werkelijke bedreigers – behalve boeren die de voorkeur geven aan grasfalt – gewoon dieren zijn: vossen, marters, reigers, kraaien, roeken, katten. We moeten weer even niets hebben van die in ons boze denken geframede stadse salon-activisten, van die papieren dierenvrienden. Dan zeggen we tegen elkaar dat het vast het tijdstip is dat maakt dat het stil is op het land. Het is twee uur ’s middags, een moment midden in het dagdeel waarop de natuur gewoonlijk zijn hartslag vertraagt.

Met moeite vinden we het eerste markeerstokje, geholpen door het kleine felgekleurde vlaggetje dat eraan zit. Het nest is nog intact, we slaken een zucht van verlichting. Roerloos liggen de vier ‘mooie priktolvormige eieren, met de punten naar elkaar toe, zoodat ze elkander met de kegelkanten steunen’ (Jac. P. Thijsse, Het vogeljaar, 1904). Ook het tweede nest ligt er bij zoals een week geleden. Dit gaat goed, we zijn blij. De kraaien die we zien, de zilverreigerkolonie vlakbij, de kiekendief die we hebben zien vliegen, de predatoren, ze zijn tot nu toe ongevaarlijk gebleken. 

Dan zie ik van een meter of wat het derde nest. Ik vloek. Wat ik zie lijkt geschonden, de eieren zijn stuk en er ligt een donkere smurrie in het nest. Dus toch. Mijn maat komt naar me toe en we buigen ons over het noodlot. Maar met de neus er bovenop dringt tot ons door wat er werkelijk aan de hand is. Deze eieren zijn aan het uitkomen! De donkere smurrie bestaat uit twee kuikens! Een derde kuiken moet nog aan het uitbreken beginnen en het vierde ligt, vliedend als het is, een halve meter bij het nest vandaan.

Waarom het eierrapen destijds geen negatieve invloed had op het voortplantingssucces van de kieviten, was om te beginnen te danken aan de temperatuur. Voor die vroegste kuikens was het vaak nog te koud om te overleven; in die maartse en eerste aprilweken zochten ze vergeefs naar insecten. Daarbij lieten kieviten het niet zitten bij een eerste poging. Ging hun broedsel teloor, poogden ze een tweede leg. De natuur beschikt over Van Geelse veerkracht.

Nachtuil

Zijn sprieten staan weer op zijn kop,
zijn tekening, zijn oog van god –|
kijk hoe compleet richt hij zich op
uit as, geen veer, geen poot ontbreekt,
verbaast zich dat hij weer beweegt.


Hij zit in wat hem overkwam
en strekt zijn vleugels in een vraag.
Wie gaaf verbrandt herrijst ook gaaf.

"Foto van Jack de Boer"
Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

De encyclopedie van het geluk 30

Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je werk wordt gedaan.  

Als je te veel hebt gedaan moet je een poosje nietsdoen. De grote filosofieën van de wijsheid: de Tao, het (zen)boeddhisme zijn er duidelijk over. En de prediker zegt: ‘Lucht en leegte, alles is leegte’. Het lijkt erop dat nietsdoen een betrekkelijk zinnige bezigheid is.  De befaamde stelling van Blaise Pascal dat alle problemen op de wereld ontstaan doordat men niet in staat is met zichzelf in een kamer te blijven is niet het hele verhaal: men verlaat die kamer omdat het zo moeilijk is om niets te doen.

Als je bij deze oude wijsheden nog eens de modernere als mindfulness, of een denker als Eckardt Tolle voegt, dan wordt het steeds duidelijker. We moeten echt meer niets doen! Voor Tolle is dat: leef in het nu. Er is geen denken meer nodig, geen zorgen meer als je in staat blijkt dat denkhoofd uit te zetten en alleen maar nu te zijn, zonder te veel verleden, maar zeker zonder toekomst. Zoiets kun je doen door adem te halen. Ademhalen is het minimale wat je moet doen om te blijven leven: het is niet niets, maar wel bijna niets. Toen ik dat eenmaal doorhad – ik ben betrekkelijk laat in deze dingen – ben ik eens regelmatig gaan proberen een halfuurtje niet na te denken, maar wel te ademen. Je zou dat mediteren kunnen noemen. Langzaam inademen door je neus, langzamer uitademen door een spleetje tussen je lippen: adem gedoseerd laten ontsnappen. Ik heb het in drie eenvoudige stapjes geleerd. Eerst tien minuten, toen twintig en toen een half uur. Ik zit op een stoel, omdat anders alle aandacht gaat naar het ongemak van op de grond zitten. De bedoeling is: niet denken, maar wel ademhalen, voelen waar je bent, voelen wat je lichaam doet, wat je waar voelt, wat je hoort. Als je even afgeleid wordt, dan weer terug naar ademhalen.

Het is gek te bedenken dat dit een complete wereld is, dat er miljoenen mensen mee bezig zijn steeds dit doen: even niets doen.

Prediker is zeer wijs, vindt dat alles weinig is, maar er is wel een God. Boeddha zegt dat alles lijden is en als je dat accepteert wordt het makkelijker, Tao zegt dat het om het nu gaat: niet waar je aankomt, maar de weg erheen. En raadt nadrukkelijk aan niets te doen. In alle drie de tradities zitten elementen van nietsdoen en alleen maar ademen.

Aan het begin van de coronaepidemie verscheen bij uitgeverij Van Oorschot De kunst van het nietsdoen, van Kenkō. In het Japans heet de verzameling teksten Tsurezuregusa (徒然草) wat je met ‘ledigheidskruid’ kunt vertalen. Dat wat door ledigheid ontstaat.

‘Al wie zijn tijd verkwist met nutteloze bezigheden moet bestempeld worden als een dwaas of een schoft. Je kunt er niet omheen dat er heel wat te doen is in dienst van de natie, of van je meester, zodat er weinig tijd overschiet voor jezelf. Denk er maar eens over na. Als mens zit er niets anders op dan, in de eerste plaats, voedsel te bemachtigen, in de tweede plaats kleren en in de derde plaats een onderkomen. Die drie dingen zijn voor een mens essentieel – verder niets. In vrede leven zonder honger, zonder kou en beschermd tegen de natuurelementen – daarin schuilt ons welbehagen. Daar staat tegenover dat we allemaal ziek kunnen worden – een vorm van lijden die moeilijk te dragen is. Laten we de geneeskunde dus niet vergeten. Zo komen we aan vier dingen zonder welke je als ‘arm’ kunt worden beschouwd. En al wie die vier bezit mag zich rijk noemen. Al het overige is luxe. Wie zal zich onbedeeld voelen zolang hij in alle eenvoud van die vier kan genieten?’ (vertaling Jos Vos)

Mmm. Nutteloze bezigheden maken je een schoft. Dan denk ik onmiddellijk aan het oranje kind in het Witte Huis. Als iemand slecht niets kan doen dan is hij het. Kon hij het maar! En vrijwel alles wat hij doet leidt tot niets, of tot lijden van een grote groep mensen. Aan dergelijk handelen heeft de Tao nou juist een broertje dood:

Ieders begrip van wat mooi is in de wereld houdt verband
met wat lelijk is.
Elk besef van wat goed is komt neer op de kennis van het
kwaad, en niets anders.
Iets en niets brengen elkaar voort.
Moeilijk en makkelijk completeren elkaar.
Lang en kort bestaan in verhouding tot elkaar.
Hoog en laag vullen elkaar aan.
Tonen en klanken harmoniseren met elkaar.
Voor en na volgen op elkaar, in alle eeuwigheid!

Daarom houdt de Wijze zich in zijn daden bij het nietsdoen.
Zonder woorden verspreidt hij zijn leer.
Alle dingen verschijnen, maar zonder zijn initiatief.
Zij handelen, maar zonder zijn steun.
Wanneer alles is volbracht, dan zal hij niet blijven.
Ja! Juist door niet te blijven gaat hij niet verloren.*

In de Tao is wu wei elementair niets doen. Kristofer Schipper, de vertaler, legt het uit:

‘en eigenlijk gaat de hele Laozi (en ook de hele Zhuangzi) over weinig anders. Het ‘niets doen’ lijkt paradoxaal, maar het is net zo essentieel als de remmen van een voertuig. Een wagen is er om te rijden en vooruit te komen, maar zonder remmen is hij onbruikbaar, en als je dat weigert aan te nemen wordt het gevaarlijk voor jezelf en voor anderen.’

Remmen dus. Lekker overzichtelijk. Zelf heb ik twee varianten van mediteren – remmen – die heel dicht bij niets doen komen en die zijn: ‘bladeren kijken,’ net iets intensiever dan alleen maar ademen, maar nauwelijks, en in een vijver kijken. Beide zijn dingen die je langer dan een half uur kunt volhouden zonder in slaap te vallen, en in wezen toch een intense manier van nietsdoen zijn. Er komt echt geen denken aan te pas. Alleen waarnemen op een heel basaal niveau.

Het in een vijver kijken is wellicht van Chinese makelij, althans zowel in de Japanse als in de Chinese klassieke poëzie zijn kijken in een vijver topoi, klassieke plaatsen.

In China bijvoorbeeld Yan Yu, dertiende eeuw in de vertaling van Wilt Idema

Bij de vijver

Het vijverpaviljoen is koel geworden na de regenbui:
Waterkastanjes, lotusvruchten delen samen ’t najaar.
Helaas dat alle groene golfen door hen zijn bezet
Zodat geen water overblijft voor meeuwen om te baden!

of Yuan Mei, 18e eeuw:

Na een regenbui

Een windvlaag drijft het kroos uiteen
De regen klettert op de vijver.
Een groene kikker weet zich Boeddha
En zet zich op een lotusbloem.

of in Japan, Bashō in vertaling van Jos Vos:

Oh, wat lijkt hij
op zijn spiegelbeeld:
de wateriris

Of

De oude vijver –
een kikvors springt erin,
de klank van water.

Niets doen aan een vijver. Je moet een heel laag lui stoeltje hebben. En je moet accepteren dat je pas na twintig minuten iets gaat zien. Of dat nou is omdat alles wat leeft in de vijver die tijd nodig heeft om aan je te wennen, of omdat je ogen en je concentratie die tijd nodig hebben om naar langzame en onbelangrijke dingen te kunnen kijken weet ik niet, maar het is een wetmatigheid. En wat je dan allemaal ziet! Wat gebeurt er nu echt bij deze varianten of bij het meditatief nietsdoen? De gedachte is geloof ik dat je bent waar je bent, zo min mogelijk nadenkt. Wel waarneemt wat je lichaam is, waar het is, wat het voelt. Dus wat je ruikt, hoort, voelt, ziet (behalve bij meditatie want daar zijn je ogen geloken). Als je tennist is een uur zo voorbij. Als je een film kijkt is drie uur zo voorbij. Maar als je ademhaalt en verder niets, of in een vijver staart, dan duren tien minuten lang. En een half uur een oneindigheid. Je rekt de tijd uit dus.

Een geschiedenis van het niets doen

En wie zou die schrijven?           

De eerste historici
waren verrast: het bewoog, ja, maar onmerkbaar;
gebruikte Tijd zoals actie dat deed, vond plaats gedurende
de uren, de dagen, had een plek nodig zich te ontvouwen
zoals al die dingen die het niet was.      
De instrumenten
ontworpen om het te vangen, konden het niet bijhouden; het oog
gleed eraf als water van een olieachtig doek.
Op foto’s was het de schaduw die uit beweging leek
te lekken, zodat elk bewegend
ding altijd in het gezelschap
van zijn geest leek, zijn eigen grijze tegenpool.
In oorlogen werd het afgeleid uit het slap tuigage
van de oorlogsschepen, het flottielje dat zich aan zijn kade nestelde.
Heraclitus wist het: in hetzelfde niets
stapt niemand tweemaal.                        

Natuurkunde begon
toen ontdekt werd dat alles
een overeenkomstig niets verwekt;
metafysica toen men leerde dat in
een perfecte wereld alles wat gedaan is
slechts sterk verlangde naar hetzelfde wat ongedaan bleef.

Zijn scheppingsverhaal voerde nog altijd helden, veldslagen, tempels op…
alleen voor de ruimtes die ertussen lagen. Voorvallen?
Nee; de ruimtes die voorvallen scheiden,
de hongerloze witte dromen tussen verschillende malen ontwaken in,
de trage middagen die aan de grond liepen van verveling.
Zijn heilige boeken, smetteloos van nalatigheid,
beloofden een paradijs waar alle verspilde
energie, vervlogen talenten, gemiste
afspraken met het lot of met vrienden
zouden samensmelten in één oneindigheid van annulering;
waar niet te zijn geboren maar net iets minder goed was.

Patrick McGuinness

* Lao Zi Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, vertaling Kristofer Schipper

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Zoeken

’s Ochtends vroeg: we staan achter het hek en speuren door verrekijkers het weiland af. Het perceel lijkt ongemoeid, straks de boer maar even bellen wat zijn plannen ermee zijn. Er zitten kieviten op. Twee dofferts – mannetjes – duikelden zopas even door de lucht en streken erop neer. Vorige week vonden we al een aantal toen nog lege nesten. We moeten geduldig zijn, misschien dat er een roek overvliegt, of een buizerd, en dat we dan zien hoe er gereageerd wordt. Mannetjes van broedende kieviten vormen een iron dome.

   Wat je als jonge jongen leert, vergeet je niet. Het eierzoeken niet en de spanning niet. En ’s avonds in bed met gesloten ogen allemaal eieren zien: ik weet dat me dat vanavond weer gebeurt. Ik moet een jaar of tien geweest zijn toen een oom van mij me voor het eerst meenam. Hij onderwees me over het gedrag van de kieviten en het land waar ze graag op nestelen. We zochten in de buurt van Birdaard en Holwerd, de wereld waar hij was opgegroeid. Destijds mocht je de eieren nog rapen, tot aan een bepaalde, steeds meer naar voren bijgestelde datum. Daarna begon de ‘nazorg’. Geen eierzoeker wilde een teruggang van de vogelstand. Eierzoekers waren natuurliefhebbers. Ze markeerden de nesten zodat de boeren er omheen konden maaien en het vee de eieren niet zou vertrappen. Sinds 2015 is het rapen verboden. De meeste vrijwilligers bij de vogelwacht nu zijn jonge jongens geweest met of vóór mij.

   Mijn maat en ik klimmen over het hek en lopen langzaam het land in. Vrouwtjes die wat te verbergen hebben zullen laag over het land wegvliegen, waarschijnlijk vanaf een plek al ver bij hun nesten vandaan. Terwijl hun partners als een dolle kabaal maken en door het luchtruim tuimelen, opereren broedende vrouwtjes schrander en beheerst. Mijn maat wijst.

    ‘Het mooiste leeft in doodsgevaar’ – een regel van dichter Chris J. van Geel. Zomaar dat ik hem laatst vond in een antiquariaat, als titel van een bloemlezing, samengesteld en ingeleid door Willem Jan Otten. Otten noemt Van Geel ‘de dichter van de ontvankelijkheid’. Van Geel ging er niet speciaal op uit om ‘dichterlijke onderwerpen te zoeken’, ze moesten zich maar voordoen dichtbij huis. Het zou niets worden als je met een ‘vooropgezet dagbewustzijn’ of met ‘dwingende rede’ of ‘wakend oor’ poëzie probeerde ‘te vangen’. Je moest het doen met je dromen, je halfslaap, je onderbewustzijn, tezamen met je observatievermogen en heel precieze, niet-poëtische maar wel ambivalente taal.

   We lopen systematisch het perceel af, strook na strook. Het is oneffen, er groeien mij onbekende struiken, resten van oud gewas en droog gras ligt over grote stukken verspreid, het is lastig zoeken. Maar dan toch. Zelfs drie keer springt een oude sensatie in ons op, wanneer we daar onbeschut, in steeds een mooi rond, met strootjes bekleed kuiltje, een broedsje – een volledig legsel van vier eieren – vinden. Van Geel zou het misschien niet tot dichten hebben aangezet, maar mij lijkt de poëzie hier voor het oprapen. Zo denk ik drie keer aan doodsgevaar. We zetten stokjes bij de nesten, registreren de vondsten in onze vogelwacht-app en trekken ons dan terug.

April, vroeg

Lang voor de zon opkomt, in licht
nog nat van nacht, niet één geluid
hetzelfde, ziedend fluiten zij
elkander moord en doodslag toe,
de veren die hun messen slijpen,
de snavels die de zon aanvuren,
de vogels die van licht bedaren.

"Foto van Jack de Boer"
Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

Roeien – een liefdesverklaring

De encyclopedie van het geluk 30

Ik heb veel nagedacht over de activiteit van het roeien. Gewoon omdat ik veel geroeid heb. En als de mederoeiers de bovenmenselijke goedheid hebben even te zwijgen is er ruimte voor denken. Laatst vertelde ik er iemand over.  Ik roeide op een sloep uit het begin van de eeuw. Op foto’s had ik de sloep zien hangen aan zijn moederschip in verre havens in de Oost. Nu lag hij in de stad en met tien man was er een aardige vaart in te trekken. De dollen piepten dan, de riemen gingen met een plons het water in. Een keer hadden we ons door ijs van een centimeter geploegd, hard werken en een feest voor het gehoor, de krakende en piepende massa die door de boeg gebroken werd, de klappen van de riemen die van wat hoger naar beneden geslagen werden om het ijs te breken. Het deed me kort denken aan Willem Barendtsz, wat moeten ze het huiveringwekkend koud gehad hebben, en eenzaam in de zwarte poolnacht. Het roeien ging zomer en winter door. Voor een solist kan het een opluchting zijn een radertje in een groter geheel te worden. Ik was verbaasd hoe gelukkig het me soms kon maken als er zwijgend tegen de wind in geploeterd werd en je wist dat je bijdrage van belang was, de lichte competitie tussen stuurboord en bakboord wie de meeste kracht leverde, de stuurman testte dat soms door het roer los te laten. Op zomeravonden als de stad geluiden maakte kon het stil zijn op het water, de late zon verstrooide zich op het kabbelend wateroppervlak en als we onder een brug voeren, rook je de stad en zag je de duiven ijverig op ongenadige balkonnetjes hun nesten maken. Soms moest er naar Muiden gevaren of naar Nes aan de Amstel. Bij Muiden was het IJmeer het grootste lichaam water dat ze aandeden, het voelde in de zwarte nacht huiveringwekkend groot en geweldig. Ik leerde mijn stad op een heel andere manier kennen, vanaf het water, de kades, de dokken, de planten die tegen de kades opgroeiden, de vogels wier wereld dit was, de eenden, rotganzen, mantelmeeuwen, kokmeeuwen, waterhoentjes, blauwe reigers. Het verdiepte mijn bestaan in een stad, omdat het element vanaf het land te vlak, te eenduidig was. In het water, roeiend of ook wel zwemmend leek het iets mee te willen delen, of werd je er in ieder geval zozeer deel van dat het je zowel beangstigen kon als vervullen van een intens geluk. Voordat een brug gepasseerd kon worden telde de stuur af en gaf het commando ‘laten lopen’ waarna je ver achteruitleunend de riem voor je buik langs halen moest zodat de riem langs ze zij van de sloep kwam en je smal genoeg was om de brug te passeren. In de donkerte van de brug had je net tijd om twee vlugge halen uit je drinkfles te nemen.

Het kon zo koud niet zijn of je zat zwetend in een sloep, zo intensief is het twee uur roeien. Het regent buiten vele malen minder dan je binnen veronderstelt, was ook een waarneming die ik eraan overgehouden had.

En al snel was ik in mijn verhaal verzeild geraakt bij Joseph Conrad, wiens werk ik verslonden had. Wanneer ik in een sloep zat, waande ik me misschien wel een jonge Conrad, gefascineerd door alles wat met zee en zeevaart te maken had. De man had in Polen, of bijna Oekraïne al jong zijn revolutionaire ouders verloren. Onder de begeleiding van een oom bracht hij het tot bijna volwassenheid toen hij rond zijn zeventiende liet weten naar zee te willen. Hij was onhoudbaar. Decennia zwierf hij rond op de wereldzeeën, meestal in Britse dienst. Al zijn romans spelen op plekken die hij zeilend bereikt heeft, een aantal ervan spelen zich eenvoudigweg af op een boot, zoals die die handelt over het eerste commando van een jonge kapitein die zijn schip op zee weet te krijgen wanneer er een wekenlange windstilte intreedt en er geen beweging in zijn schip te krijgen is en de onervaren kapitein onder veel meer te maken krijgt met een gevaarlijk mokkende bemanning. (The Shadow-Line) Conrad was een man van een vaste en consequente passie waaraan alles ondergeschikt was: de scheepvaart. De liefde die hij ervoor voelde culmineerde in zijn boek The Mirror of the Sea wat een liefdesbetuiging is aan de zeeën en de schepen die hij bevoer, waarin hij alle aspecten ervan, het wachten, de lading, de winden en zo voort stuk voor stuk met kennis van zaken bespreekt, als een handreiking bijna, een leerboek voor wie het nog beleven gaat. Ik stel me voor hoe de oude bebaarde zeeman in een huisje in Engeland, met pensioen aan dit boek gewerkt had, hoe het een redelijk technische verhandeling over scheepvaart lijkt maar hoe het in wezen een autobiografie is, of een weerslag van wat de man als de zin van zijn leven moet hebben ervaren. Ergens in Amsterdam kwam hij in een koude winter wekenlang vast te liggen omdat zijn schip op lading wachten die op de binnenvaartschepen in de kanalen en rivieren was komen vast te vriezen. Als we langs de oude havengebieden roeiden stelde ik me voor waar het geweest moest zijn dat de Pool wekenlang in onze stad rondliep, terwijl het vroor dat het kraakte, ergens eind negentiende eeuw.

Roeien geeft ruimte tot denken, in wezen kun je niet beter denken dan wanneer je twee uur lang hard lichamelijk moet zwoegen en de riemen het water in ziet gaan en je soms in een poging het zweet van je voorhoofd te wissen met je schouder een stuk lucht of een wand grachtenpanden opvangt, maar verder steeds slechts water en riemen ziet.

Van lieverlede; zo
komen zij nader: 8 roeiers,
steeds verder landinwaarts

groeiend in hun mytologie:
met elke slag steeds verder
van huis, uit allemacht roeiend;
groeiend tot alle water weg is,
en zij het hele landschap

vullen tot de rand. Acht –
steeds verder landinwaarts
roeiend; landschap daar al geen
water meer is: dichtgegroeid
landschap al. Landschap,
steeds verder land-

inwaarts roeiend; land
zonder roeiers; dicht-
geroeid land al.

Hans Faverey

Lezen

Joseph Conrad The Shadow-Line
Joseph Conrad The Mirror of the Sea
Hans Maarten van den Brink Over het water

naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Broadway the Hard Way – over al of niet uitsterven

    Broadway the Hard Way – over al of niet uitsterven

    De encyclopedie van het geluk 29 Een van de opvallendste straten in New York is natuurlijk Broadway, alleen al op de kaart als je de schuine lijn al die rechte blokken ziet snijden. Het is een mooie, voortdurende herinnering aan wat niet voorbij is: de aanwezigheid van Native Americans in Amerika. Het is oorspronkelijk de...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Collage – over de schoonheid van een snipper

    Collage – over de schoonheid van een snipper

    De encyclopedie van het geluk 28 13 april 1923 arriveert op station Drachten een man wiens belangrijkste bezit een koffer vol papiersnippers is. Hij wordt afgehaald door de broers Thijs en Evert Rinsema, beiden kunstenaar, de eerste ook schoenmaker. Het intieme detail dat de man meteen sympathiek maakt. Lijm moet een redelijk vroeg gereedschap van...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Kees Snoek"
    Kees Snoek

    Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

     

  • "Foto van Hans van Pinxteren"
    Hans van Pinxteren

    Hans van Pinxteren is dichter en vertaler

  • "Foto van Gigi Müjde"
    Gigi Müjde

    Gigi Müjde studeert in augustus 2025 af van de schrijfopleiding met een gemoderniseerde bewerking van het Middelnederlandse toneelstuk Mariken van Nieumeghen, namelijk: Meryem van Mokum. Door de lens van een oud Nederlands stuk, reflecteert die op de hedendaagse Nederlandse samenleving. In diens schrijven, speelt Gigi met taal, gebaar en referenties – om de lezer een eigen(aardige) wereld in te lokken vol verwarring en plezier. Die schrijft ook graag in samenwerking, vooral met Robin Alberts volgens hun eigen versie van de flarf-techniek, waarin er een tekst heen en weer wordt verstuurd en om en om wordt herschreven tot het onherkenbaar vol zit met liefde voor taal. Gigi schrijft alleen vanuit liefde, anders telt het niet.