Honderd aspecten van de maan – over Japanse houtblokprint

De encyclopedie van het geluk 33

Onrecht kan een volk in beweging zetten, en een volk dat onrecht is aangedaan kan de wereld in beweging zetten… zo kan een rechtvaardige man een leger worden.

Elke maan rijgt je vast aan alle eerdere die je zag.  Een maanstenen snoer. Deze figuur, Shi Jin – met de bijnaam Negen Getatoeëerde Draken – heeft er ongetwijfeld op zijn iets rijpere leeftijd al heel wat om op terug te kijken. Wat overdenkt hij onder het licht van de volle maan? Veel gevechten denk ik zo, hij was een krijger, een personage weliswaar uit een klassieke Chinese roman, Het verhaal van de Wateroever, over 108 outlaws die de corrupte overheid bestrijden.

Tsukioka Yoshitoshi (1839-1892), de maker van deze prent is een van de laatste grote Japanse houtblokkunstenaars.

Deze ukiyo-e, of ‘prenten van de vlietende wereld’ maken op de meeste mensen bij de eerste beschouwing een opmerkelijke associatie met Hergé’s Kuifje los. De ‘klare lijn’ tekenstijl van deze Belgische striptekenaar heeft gewoon heel veel overeenkomst met Japanse houtblokkunst.

Waarom zijn ze zo schitterend? Het kleurgebruik is heel sprankelend en fris, de klare lijn geeft een opmerkelijke moderniteit aan de prenten, het procedé resulteert in een evenwichtige vlakverdeling. In een blok hout snijd je de tekening uit: alles wat je niet wilt zien snijd je weg. Je brengt de inkt op het hout aan, legt een vel papier op het geheel en wrijft die krachtig tegen het hout. Dan rustig het papier wegtrekken en je hebt je afdruk. De eerste inktgang dan: je kunt zoveel gangen maken als je wilt, steeds een kleurtje erbij. Mensen, landschappen en natuur, figuren uit mythologie en literatuur en Noh-spel. Yoshitoshi leefde in een periode dat er in Japan veel veranderde: het land ontsloot zich na eeuwen isolationisme en buitenlandse invloeden werden groter. Zijn inkten waren bijvoorbeeld vaak westers. Zijn thema’s grepen juist terug op het verleden. Houtblokprint is massaproductie, dus dat vertelt al iets over een veranderende samenleving waarin misschien meer mensen kunst willen en kunnen kopen. Het is dus ook voor een groter publiek. Populaire kunst.

In het van Gogh Museum hangen nu Yoshitoshi’s ‘ Honderd aspecten van de maan’  een serie houtblokprints die hij tussen 1885 en 1892 maakt en waarin de maan als een terugkerend thema op bijna elke print zichtbaar is. Zo’n idee is al fraai. Je hebt Hiroshige’s ‘Honderd gezichten op Edo’ , die beroemd werden in Yoshitoshi’s jeugd. Maar met de maan doe je weer net iets anders, daarmee rijg je herinneringen aaneen, en poëzie. Het maakt de wereld groot, en benadrukt tegelijkertijd dat al deze verschillende figuren en personages een rol hebben onder één zelfde maan. Het versnippert de wereld dus in vele momenten maar synthetiseert tot een gelijksoortig gevoel, iets van schoonheid, iets van herinnering, iets van rust.

De maan

Op onze klok lijkt het gezicht van de maan;
Ze schijnt de dief op de tuinmuur aan,
schijnt op wegen, havenkades en velden,
en vogeltjes in slaap in de bomen, niet zelden.

De krijsende kat en de piepende muis,
de huilende hond bij de deur van het huis,
de vleermuis houdt een middagslaapje aan,
Iedereen houdt van het licht van de maan.

Maar alle dingen die horen bij de dag
onttrekken zich slapende aan haar gezag;
en bloemen en kinderen sluiten hun ogen
tot de zonnestralen weer de ochtend in mogen.

Robert Louis Stevenson 1850 –1894

Kazuo Ishiguro Artist of the Floating World
Maggie Aderin-Pocock Het boek van de maan. Alles over onze naaste buur vertaling  Frans Reusink

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Mij is de wrake – over vechtfilms

De encyclopedie van het geluk 32

Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als een moker bovenop hun hoofd sloeg. Terence een slimme, knappe, blonde kerel die vooral snel was. Ik zat als ventje tegen de stevige schouder van mijn vader aan deze films te kijken, die hij blijkbaar ook heel leuk vond.

Inmiddels ben ik werkelijk honderden vechtfilms verder en vraag ik me af: waarom eigenlijk? Erg gewelddadig ben ik niet. Ik doe nog net een vlieg kwaad. Het is omdat de overheid net niet goed genoeg voor ons zorgt. Dat zit zo. De overheid heeft in de grootste delen van de westerse wereld een monopolie op geweld. Mensen zijn ontwapend om de zaken een beetje in de hand te houden. Als er iets misgaat lost het rechtssysteem dat voor ons op: we hoeven (of mogen) ons recht niet zelf halen: het wordt ons gebracht. De politie draagt wapens, maar wij niet. Als ons iets overkomt klagen wij de verdachte ervan aan en als de verdachte schuldig wordt bevonden krijgt hij daarvoor straf. Een deel van die straf is wraak; het moet voor het slachtoffer voelen alsof hem genoegdoening wordt verschaft. Bij wraak staat de persoonlijke verhouding tussen slachtoffer en dader centraal; bij straf gaat het om de verhouding tussen de dader en de rechtsorde.

Hier zit het klassieke verschil tussen mensen die hoge straffen willen en mensen die lagere straffen oké vinden: laag voelt voor de eerste groep als te weinig genoegdoening. Hoog is voor de tweede groep vanwege onderzoeken die zij raadplegen zinloos: de rechtstaat functioneert niet beter bij hoge straffen, de recidive is bijvoorbeeld bij hogere straffen niet lager. Er is, kortom een optimum. Het gaat om proportionaliteit.

Maar je voelt niet altijd dat het rechtvaardig is. En misschien verklaart dat het succes van vechtfilms. Door wraak te zien voel je je ‘genoeggedaan’. Het brein werkt zo, je voorstellen hoe iets is en het dan wellicht net veranderen werkt. Zie ook traumatherapie.

Vaak wil je dat wie jou kwaad doet harder gestraft wordt. Om dat te compenseren kijken met name mannen aan de lopende band vechtfilms. Wraak is een oeroude emotie.

Netflix is een zichzelf op termijn opheffend verdienmodel, denk ik: de bubbel waarin het mij heeft geplaatst is zo extreem eenzijdig, dat alle films die ik voorgeschoteld krijg hetzelfde zijn en mij voor wie me zou willen leren kennen via mijn account zeer angstaanjagend maken. Wraak. Ik smeek er altijd om als we een film over een lief hondje gaan kijken of het op mijn account mag: om mijn algoritme op te voeden.

Leviticus 24: ‘Als ook iemand aan zijn naaste een gebrek zal aangebracht hebben; gelijk als hij gedaan heeft, zo zal ook aan hem gedaan worden: Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden. Wie dan enig vee verslaat, die zal het wedergeven; maar wie een mens verslaat, die zal gedood worden.

Lex talionis — het principe van oog om oog, tand om tand. Grappig genoeg is dit voor het oor wat harde rechtsbeginsel oorspronkelijk bedoel als regulering: niet een totaal gebit uit een mond slaan als jou een tand gekwetst is, maar een tand. Precies evenveel dus.

In een film uit 1999 met Mel Gibson – Payback – wordt dat als grap uitvergroot. Porter, de hoofdpersoon wordt na een geslaagde overval door zijn kompanen beroofd en voor dood achtergelaten. De volgende 100 minuten zijn een orgie van wraak, waarin hij steeds maar weer moet herhalen voordat hij weer iemand doodschiet dat het niet $130.000 dollar is die hij terug wil, zoals ze lijken te denken, maar $70.000. Die geproportioneerdheid is interessant. Het is wraak en genoegdoening, maar het is precies genoeg.

De film vertoont een opvallende gelijkenis met de blueprint van veel van dit soort wraakfilms: Heinrich von Kleist’s novelle  Michael Kohlhaas Aus einer alten Chronik, waarin een paardenhandelaar (overigens op zijn beurt historisch) onheus bejegend wordt door iemand uit de lage adel, en via de reguliere wetswijzen zijn gelijk niet krijgt, en het dan tracht te nemen. Hij wordt uiteindelijk ter dood veroordeeld maar hoort net op tijd dat hem recht is gedaan. (En voert kort voor zijn dood nog een kleine mooie listige wraakactie uit…)

‘That’s what they took from me, and that’s what I’m going to get back. Tell them it’s $70.000, not $130.000’

De voorspelbaarheid van de vechtfilm is een bijkomend element van het welbehagen dat de kijker zoekt: rechtvaardigheid, maar ook voorspelbaarheid. De slechteriken vermoorden familie van de held, zijn buitengemeen arrogant en voelen zich ver verheven boven de held. Via een omcirkeling van onderknuppels waarmee ze zich omgeven en die eerst uitgeschakeld moeten worden, komt de held in zijn woede steeds dichter bij de grootste schurk en die wordt in de laatste 20 minuten uiteindelijk gedood in een fraai gechoreografeerd gevecht, en daarmee is de wraak volbracht. Na honderd en meer films weet ik tot op de seconde nauwkeurig wanneer wat gaat gebeuren. Altijd weer. En ik kan er geen genoeg van krijgen? Moet ik naar de psychiater? Dan wel met al die andere boze mannetjes die die films bekijken…

De wraak is proportioneel: alleen de duivels vermoorden familie. Het Duitse begrip Sippenhaftung: aansprakelijkheid volgens verwantschap komt nooit voor in een vechtfilm. Blijkbaar voelen we dat nu niet (meer) als rechtvaardig, tot in het derde geslacht straffen, of alle mannelijke familieleden doden. Aristoteles neemt orgē (woede) overigens ook zeer serieus als menselijke emotie. Woede ontstaat wanneer iemand meent onrechtvaardig behandeld of vernederd te zijn.

Maar echt onrechtvaardig behandeld of vernederd voel ik me niet. Hoe diep zit zoiets eigenlijk: als je ooit eens een dreun hebt gekregen van een rotjochie toen je zes was en je kon die niet vergelden: blijf je dan de rest van je leven aan vechtfilms hangen? Zolang ik vechtfilms, of wraakfilms kijk – goede zijn bijvoorbeeld Nobody met Bob Odenkirk, Death Wish met de prachtige Litouwer Charles Bronson, de trilogie met Denzel Washington (The Equalizer), veel films met Jason Statham, ‘Parker’ bijvoorbeeld, de Liam Neeson ‘Taken’-reeks – valt verder op dat precisie elementair is. En dat de wrekers er niet van lijken te genieten. Het moet gewoon gebeuren. De makers van de film hebben in van alles hun best gedaan aannemelijk te maken dat deze wraakengelen verstand van proportie hebben (Denzel Washington schat bijvoorbeeld vrij nauwkeurig in hoeveel seconden hij de zes ploerten, en hoe precies, om zeep helpt). Het is geen blinde woede dus, maar een afgemeten reactie. Precies wat we nodig hebben.

En omdat de wraak afgemeten is, kan de kijker die door zijn rechtssysteem misschien onvoldoende bevredigd wordt tevreden gaan slapen, er is precies genoeg rechtgedaan.

Tot je de krant van morgen weer openvouwt.

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Onder de moede blaren – over het bos

De encyclopedie van het geluk 31

Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een plek kunt zwemmen waar twee waterstromen samenkomen, zo is in een bos een grens tussen naald- en loofwoud altijd goed voelbaar: je ruikt er meer en er zijn dieren vanuit hun verschillende biotopen. Daar zie je een zwarte specht, daar hoor je een boompieper of een kuifmees. Daar zie je een wild zwijn wegschieten.

‘De geuren van het najaar: vanwaar ze komen, hoe ze worden gemengd, valt niet vast te stellen, rottende bladeren en naalden, het vocht van de witte draden van de zwammen in het zwart onder de glibberige vuilbomen waarop de schors loslaat. Vanwaar ze waren blijven staan konden ze overal om zich heen goede standplaatsen zien. Open plekken, van elkaar gescheiden door een ruige muur van jonge sparren, de sleuf op de grens van het hoge naaldbos, schuin erop nog een die het bos in leidde, zo vlak als een weg begroeid met mos, met een paadje in het midden. Het wild houdt zich aan zijn gewoonten. Bang geworden beschrijft het in zijn poging zijn vervolgers kwijt te raken een boog en kiest een van de wegen die het dagelijks gebruikt. Uit het halsgeven van de honden leid je de richting af, je moet raden welke doorsteek ze kiezen en er dan op tijd bij zijn. De aandacht van het wild is zo geconcentreerd op de honden achter ze, dat het geen gevaar voor zich verwacht, het loopt recht op de mensen af.’

In Czesław Miłosz zeer prachtige autobiografische roman Het dal van de Issa speelt bos en jacht een belangrijke rol. Met dien verstande dat hij uiteindelijk niet goed blijkt te kunnen doden. Het bos is ook in zijn beschrijving ervan altijd magisch.

In een Nederlands bos heb je zo nu en dan ook een stuk waar het natter is en waar een andere vegetatie te vinden is, dat zijn de mooiste stukken, die je onthoudt en waar je naar teruggaat, het is er ook op de bodem begroeid en de diversiteit van plantensoorten is groot: en de fauna die daar dan weer bij hoort. Hier vind je ook de wildpaadjes.

In corona liep ik regelmatig na ’s avonds bij mijn oude moeder gegeten te hebben door een pikzwart bos – soms in spertijd – naar mijn huis. Zeven kilometer zonder dat je een hand voor ogen zag, alleen omdat ik de weg kende kon het. Je navigeert op geur en geluid. Geritsel maakt je wel eens ongemakkelijk. Van een uil die zeer nabij geruisloos opdoemt schrik je je echt een ongeluk. Een fascinerende ervaring. Het vreemdst was een ontmoeting met een fietser, met een wonderlijke aanhangwagen aan zijn fiets die alleen heel vrolijk ‘hallootjes’ riep en doorfietste, de indruk wekkend dat hij nacht in nacht uit door een donker bos fietst. Maar waarom? Wie was die man?

De spiegeling van bladeren en lucht in een grote plas zijn prachtig in een bos. In sommige diepe plassen schuttersputjes zitten kikkervisjes in de lente. Waar mos groeit klinkt het anders. De geur van een bos is iets onvergelijkbaars: rotting en frisheid dooreen. Soms vind je in de zomer een plek waar niemand komt en waar je kunt gaan liggen op mos of blad en naar de wuivende boomtoppen staren, wolken zien langstrekken, misschien even wegzakken zelfs. Oppassen dat je niet in de baan van een wildcamera staat, ik trof er al twee. In een bos verdwijnt de wereld en komt een oud oergevoel terug: er te horen.

De bossen in

Soms kan ik niets meer doen
dan bladeren verzinnen,
naar bladeren verlangen.
De bossen wil ik binnen.

De zon vreemd en groen
door duisternis vervangen.
Het wakende bedaren
onder de moede blaren…

schreef Leo Vroman. En zo is het precies. Dromen van bladeren kun je zelfs. En ook wakend is een bos een veld van stille aanwezigheid. Er is overal iets. Maar wat?

Drie literaire bosbaden: ik ken geen bossiger boek dan Pierre Bergounioux’ Een stap en dan de volgende: ‘Elke morgen vouwde juli zijn verbleekte achterdoek uit. De vogels zwegen. Op een dag deed augustus ongemerkt zijn intrede. De stamper danste als vanzelf op de klanken van het koper. Op mijn armen, die de kleur hadden van bukshout, trokken de spieren bol. Het werk vorderde in de richting van de brug. Na het fluitsignaal was ik al snel bij de vrouwelijke boom, maar de avond liep sneller dan ik. Wanneer ik mijn plaats innam tegen de buik van de wilg, was bijna al het licht weggetrokken uit het water.’ Het is een bosbouwboek, net als Train Dreams van Denis Johnson, en Norman Macleans A River Runs Through it.  De wereld van wie de bossen het intensiefst bevolken: de houtvesters en de bosarbeiders.

Dat werk kun je beter niet romantiseren. Maar elk uur in een bos besteed is een goed uur. De bomen zijn goed gezelschap. Ze leren je minstens dat je een leven lang stil kunt blijven staan.

Jerker Spits Onder het bladerdak
Norman Macleans Er loopt een rivier doorheen (vertaling Dirkjan Arensman)
Pierre Bergounioux’ Een stap en dan de volgende (vertaling Marianne Kaas)
Czesław Miłosz Het dal van de Issa (vertaling Gerard Rasch)

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Veerkracht

Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij en zijn partner Elly de Waard niet thuis waren en hun woning volledig in vlammen opging. Jan van der Vegt schrijft hierover in Ons Erfdeel (Jaargang 17, 1974):

   ‘Bijna alles in dat huis ging verloren, de brand sneed hem af van een groot deel van zijn leven. Manuscripten van gedichten, tekeningen (…), een voor uitgave gereed liggend prozaboek, brieven, het nooit uitgegeven literaire werk van zijn grootvader, hij was het bijna allemaal in één slag kwijt. Maar hij reageerde met een veerkracht die hij wel leek te hebben overgenomen van de natuur waar hij zo dicht bij leefde.’

 We staan weer achter het hek, mijn maat en ik. Het is een doodse bedoening in het weiland. Zou het een veeg teken zijn? We rakelen een oude ergernis op. Die lui, zeggen we, die vonden het eierzoeken dieronvriendelijk, nee, sterker nog, in wat ze beweerden hoorden we een beschuldiging, wíj zouden de achteruitgang van de weidevogels op ons geweten hebben, maar nu hoor je die lui niet, nu blijkt dat de werkelijke bedreigers – behalve boeren die de voorkeur geven aan grasfalt – gewoon dieren zijn: vossen, marters, reigers, kraaien, roeken, katten. We moeten weer even niets hebben van die in ons boze denken geframede stadse salon-activisten, van die papieren dierenvrienden. Dan zeggen we tegen elkaar dat het vast het tijdstip is dat maakt dat het stil is op het land. Het is twee uur ’s middags, een moment midden in het dagdeel waarop de natuur gewoonlijk zijn hartslag vertraagt.

Met moeite vinden we het eerste markeerstokje, geholpen door het kleine felgekleurde vlaggetje dat eraan zit. Het nest is nog intact, we slaken een zucht van verlichting. Roerloos liggen de vier ‘mooie priktolvormige eieren, met de punten naar elkaar toe, zoodat ze elkander met de kegelkanten steunen’ (Jac. P. Thijsse, Het vogeljaar, 1904). Ook het tweede nest ligt er bij zoals een week geleden. Dit gaat goed, we zijn blij. De kraaien die we zien, de zilverreigerkolonie vlakbij, de kiekendief die we hebben zien vliegen, de predatoren, ze zijn tot nu toe ongevaarlijk gebleken. 

Dan zie ik van een meter of wat het derde nest. Ik vloek. Wat ik zie lijkt geschonden, de eieren zijn stuk en er ligt een donkere smurrie in het nest. Dus toch. Mijn maat komt naar me toe en we buigen ons over het noodlot. Maar met de neus er bovenop dringt tot ons door wat er werkelijk aan de hand is. Deze eieren zijn aan het uitkomen! De donkere smurrie bestaat uit twee kuikens! Een derde kuiken moet nog aan het uitbreken beginnen en het vierde ligt, vliedend als het is, een halve meter bij het nest vandaan.

Waarom het eierrapen destijds geen negatieve invloed had op het voortplantingssucces van de kieviten, was om te beginnen te danken aan de temperatuur. Voor die vroegste kuikens was het vaak nog te koud om te overleven; in die maartse en eerste aprilweken zochten ze vergeefs naar insecten. Daarbij lieten kieviten het niet zitten bij een eerste poging. Ging hun broedsel teloor, poogden ze een tweede leg. De natuur beschikt over Van Geelse veerkracht.

Nachtuil

Zijn sprieten staan weer op zijn kop,
zijn tekening, zijn oog van god –|
kijk hoe compleet richt hij zich op
uit as, geen veer, geen poot ontbreekt,
verbaast zich dat hij weer beweegt.


Hij zit in wat hem overkwam
en strekt zijn vleugels in een vraag.
Wie gaaf verbrandt herrijst ook gaaf.

"Foto van Jack de Boer"
Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

De encyclopedie van het geluk 30

Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je werk wordt gedaan.  

Als je te veel hebt gedaan moet je een poosje nietsdoen. De grote filosofieën van de wijsheid: de Tao, het (zen)boeddhisme zijn er duidelijk over. En de prediker zegt: ‘Lucht en leegte, alles is leegte’. Het lijkt erop dat nietsdoen een betrekkelijk zinnige bezigheid is.  De befaamde stelling van Blaise Pascal dat alle problemen op de wereld ontstaan doordat men niet in staat is met zichzelf in een kamer te blijven is niet het hele verhaal: men verlaat die kamer omdat het zo moeilijk is om niets te doen.

Als je bij deze oude wijsheden nog eens de modernere als mindfulness, of een denker als Eckardt Tolle voegt, dan wordt het steeds duidelijker. We moeten echt meer niets doen! Voor Tolle is dat: leef in het nu. Er is geen denken meer nodig, geen zorgen meer als je in staat blijkt dat denkhoofd uit te zetten en alleen maar nu te zijn, zonder te veel verleden, maar zeker zonder toekomst. Zoiets kun je doen door adem te halen. Ademhalen is het minimale wat je moet doen om te blijven leven: het is niet niets, maar wel bijna niets. Toen ik dat eenmaal doorhad – ik ben betrekkelijk laat in deze dingen – ben ik eens regelmatig gaan proberen een halfuurtje niet na te denken, maar wel te ademen. Je zou dat mediteren kunnen noemen. Langzaam inademen door je neus, langzamer uitademen door een spleetje tussen je lippen: adem gedoseerd laten ontsnappen. Ik heb het in drie eenvoudige stapjes geleerd. Eerst tien minuten, toen twintig en toen een half uur. Ik zit op een stoel, omdat anders alle aandacht gaat naar het ongemak van op de grond zitten. De bedoeling is: niet denken, maar wel ademhalen, voelen waar je bent, voelen wat je lichaam doet, wat je waar voelt, wat je hoort. Als je even afgeleid wordt, dan weer terug naar ademhalen.

Het is gek te bedenken dat dit een complete wereld is, dat er miljoenen mensen mee bezig zijn steeds dit doen: even niets doen.

Prediker is zeer wijs, vindt dat alles weinig is, maar er is wel een God. Boeddha zegt dat alles lijden is en als je dat accepteert wordt het makkelijker, Tao zegt dat het om het nu gaat: niet waar je aankomt, maar de weg erheen. En raadt nadrukkelijk aan niets te doen. In alle drie de tradities zitten elementen van nietsdoen en alleen maar ademen.

Aan het begin van de coronaepidemie verscheen bij uitgeverij Van Oorschot De kunst van het nietsdoen, van Kenkō. In het Japans heet de verzameling teksten Tsurezuregusa (徒然草) wat je met ‘ledigheidskruid’ kunt vertalen. Dat wat door ledigheid ontstaat.

‘Al wie zijn tijd verkwist met nutteloze bezigheden moet bestempeld worden als een dwaas of een schoft. Je kunt er niet omheen dat er heel wat te doen is in dienst van de natie, of van je meester, zodat er weinig tijd overschiet voor jezelf. Denk er maar eens over na. Als mens zit er niets anders op dan, in de eerste plaats, voedsel te bemachtigen, in de tweede plaats kleren en in de derde plaats een onderkomen. Die drie dingen zijn voor een mens essentieel – verder niets. In vrede leven zonder honger, zonder kou en beschermd tegen de natuurelementen – daarin schuilt ons welbehagen. Daar staat tegenover dat we allemaal ziek kunnen worden – een vorm van lijden die moeilijk te dragen is. Laten we de geneeskunde dus niet vergeten. Zo komen we aan vier dingen zonder welke je als ‘arm’ kunt worden beschouwd. En al wie die vier bezit mag zich rijk noemen. Al het overige is luxe. Wie zal zich onbedeeld voelen zolang hij in alle eenvoud van die vier kan genieten?’ (vertaling Jos Vos)

Mmm. Nutteloze bezigheden maken je een schoft. Dan denk ik onmiddellijk aan het oranje kind in het Witte Huis. Als iemand slecht niets kan doen dan is hij het. Kon hij het maar! En vrijwel alles wat hij doet leidt tot niets, of tot lijden van een grote groep mensen. Aan dergelijk handelen heeft de Tao nou juist een broertje dood:

Ieders begrip van wat mooi is in de wereld houdt verband
met wat lelijk is.
Elk besef van wat goed is komt neer op de kennis van het
kwaad, en niets anders.
Iets en niets brengen elkaar voort.
Moeilijk en makkelijk completeren elkaar.
Lang en kort bestaan in verhouding tot elkaar.
Hoog en laag vullen elkaar aan.
Tonen en klanken harmoniseren met elkaar.
Voor en na volgen op elkaar, in alle eeuwigheid!

Daarom houdt de Wijze zich in zijn daden bij het nietsdoen.
Zonder woorden verspreidt hij zijn leer.
Alle dingen verschijnen, maar zonder zijn initiatief.
Zij handelen, maar zonder zijn steun.
Wanneer alles is volbracht, dan zal hij niet blijven.
Ja! Juist door niet te blijven gaat hij niet verloren.*

In de Tao is wu wei elementair niets doen. Kristofer Schipper, de vertaler, legt het uit:

‘en eigenlijk gaat de hele Laozi (en ook de hele Zhuangzi) over weinig anders. Het ‘niets doen’ lijkt paradoxaal, maar het is net zo essentieel als de remmen van een voertuig. Een wagen is er om te rijden en vooruit te komen, maar zonder remmen is hij onbruikbaar, en als je dat weigert aan te nemen wordt het gevaarlijk voor jezelf en voor anderen.’

Remmen dus. Lekker overzichtelijk. Zelf heb ik twee varianten van mediteren – remmen – die heel dicht bij niets doen komen en die zijn: ‘bladeren kijken,’ net iets intensiever dan alleen maar ademen, maar nauwelijks, en in een vijver kijken. Beide zijn dingen die je langer dan een half uur kunt volhouden zonder in slaap te vallen, en in wezen toch een intense manier van nietsdoen zijn. Er komt echt geen denken aan te pas. Alleen waarnemen op een heel basaal niveau.

Het in een vijver kijken is wellicht van Chinese makelij, althans zowel in de Japanse als in de Chinese klassieke poëzie zijn kijken in een vijver topoi, klassieke plaatsen.

In China bijvoorbeeld Yan Yu, dertiende eeuw in de vertaling van Wilt Idema

Bij de vijver

Het vijverpaviljoen is koel geworden na de regenbui:
Waterkastanjes, lotusvruchten delen samen ’t najaar.
Helaas dat alle groene golfen door hen zijn bezet
Zodat geen water overblijft voor meeuwen om te baden!

of Yuan Mei, 18e eeuw:

Na een regenbui

Een windvlaag drijft het kroos uiteen
De regen klettert op de vijver.
Een groene kikker weet zich Boeddha
En zet zich op een lotusbloem.

of in Japan, Bashō in vertaling van Jos Vos:

Oh, wat lijkt hij
op zijn spiegelbeeld:
de wateriris

Of

De oude vijver –
een kikvors springt erin,
de klank van water.

Niets doen aan een vijver. Je moet een heel laag lui stoeltje hebben. En je moet accepteren dat je pas na twintig minuten iets gaat zien. Of dat nou is omdat alles wat leeft in de vijver die tijd nodig heeft om aan je te wennen, of omdat je ogen en je concentratie die tijd nodig hebben om naar langzame en onbelangrijke dingen te kunnen kijken weet ik niet, maar het is een wetmatigheid. En wat je dan allemaal ziet! Wat gebeurt er nu echt bij deze varianten of bij het meditatief nietsdoen? De gedachte is geloof ik dat je bent waar je bent, zo min mogelijk nadenkt. Wel waarneemt wat je lichaam is, waar het is, wat het voelt. Dus wat je ruikt, hoort, voelt, ziet (behalve bij meditatie want daar zijn je ogen geloken). Als je tennist is een uur zo voorbij. Als je een film kijkt is drie uur zo voorbij. Maar als je ademhaalt en verder niets, of in een vijver staart, dan duren tien minuten lang. En een half uur een oneindigheid. Je rekt de tijd uit dus.

Een geschiedenis van het niets doen

En wie zou die schrijven?           

De eerste historici
waren verrast: het bewoog, ja, maar onmerkbaar;
gebruikte Tijd zoals actie dat deed, vond plaats gedurende
de uren, de dagen, had een plek nodig zich te ontvouwen
zoals al die dingen die het niet was.      
De instrumenten
ontworpen om het te vangen, konden het niet bijhouden; het oog
gleed eraf als water van een olieachtig doek.
Op foto’s was het de schaduw die uit beweging leek
te lekken, zodat elk bewegend
ding altijd in het gezelschap
van zijn geest leek, zijn eigen grijze tegenpool.
In oorlogen werd het afgeleid uit het slap tuigage
van de oorlogsschepen, het flottielje dat zich aan zijn kade nestelde.
Heraclitus wist het: in hetzelfde niets
stapt niemand tweemaal.                        

Natuurkunde begon
toen ontdekt werd dat alles
een overeenkomstig niets verwekt;
metafysica toen men leerde dat in
een perfecte wereld alles wat gedaan is
slechts sterk verlangde naar hetzelfde wat ongedaan bleef.

Zijn scheppingsverhaal voerde nog altijd helden, veldslagen, tempels op…
alleen voor de ruimtes die ertussen lagen. Voorvallen?
Nee; de ruimtes die voorvallen scheiden,
de hongerloze witte dromen tussen verschillende malen ontwaken in,
de trage middagen die aan de grond liepen van verveling.
Zijn heilige boeken, smetteloos van nalatigheid,
beloofden een paradijs waar alle verspilde
energie, vervlogen talenten, gemiste
afspraken met het lot of met vrienden
zouden samensmelten in één oneindigheid van annulering;
waar niet te zijn geboren maar net iets minder goed was.

Patrick McGuinness

* Lao Zi Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, vertaling Kristofer Schipper

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Zoeken

’s Ochtends vroeg: we staan achter het hek en speuren door verrekijkers het weiland af. Het perceel lijkt ongemoeid, straks de boer maar even bellen wat zijn plannen ermee zijn. Er zitten kieviten op. Twee dofferts – mannetjes – duikelden zopas even door de lucht en streken erop neer. Vorige week vonden we al een aantal toen nog lege nesten. We moeten geduldig zijn, misschien dat er een roek overvliegt, of een buizerd, en dat we dan zien hoe er gereageerd wordt. Mannetjes van broedende kieviten vormen een iron dome.

   Wat je als jonge jongen leert, vergeet je niet. Het eierzoeken niet en de spanning niet. En ’s avonds in bed met gesloten ogen allemaal eieren zien: ik weet dat me dat vanavond weer gebeurt. Ik moet een jaar of tien geweest zijn toen een oom van mij me voor het eerst meenam. Hij onderwees me over het gedrag van de kieviten en het land waar ze graag op nestelen. We zochten in de buurt van Birdaard en Holwerd, de wereld waar hij was opgegroeid. Destijds mocht je de eieren nog rapen, tot aan een bepaalde, steeds meer naar voren bijgestelde datum. Daarna begon de ‘nazorg’. Geen eierzoeker wilde een teruggang van de vogelstand. Eierzoekers waren natuurliefhebbers. Ze markeerden de nesten zodat de boeren er omheen konden maaien en het vee de eieren niet zou vertrappen. Sinds 2015 is het rapen verboden. De meeste vrijwilligers bij de vogelwacht nu zijn jonge jongens geweest met of vóór mij.

   Mijn maat en ik klimmen over het hek en lopen langzaam het land in. Vrouwtjes die wat te verbergen hebben zullen laag over het land wegvliegen, waarschijnlijk vanaf een plek al ver bij hun nesten vandaan. Terwijl hun partners als een dolle kabaal maken en door het luchtruim tuimelen, opereren broedende vrouwtjes schrander en beheerst. Mijn maat wijst.

    ‘Het mooiste leeft in doodsgevaar’ – een regel van dichter Chris J. van Geel. Zomaar dat ik hem laatst vond in een antiquariaat, als titel van een bloemlezing, samengesteld en ingeleid door Willem Jan Otten. Otten noemt Van Geel ‘de dichter van de ontvankelijkheid’. Van Geel ging er niet speciaal op uit om ‘dichterlijke onderwerpen te zoeken’, ze moesten zich maar voordoen dichtbij huis. Het zou niets worden als je met een ‘vooropgezet dagbewustzijn’ of met ‘dwingende rede’ of ‘wakend oor’ poëzie probeerde ‘te vangen’. Je moest het doen met je dromen, je halfslaap, je onderbewustzijn, tezamen met je observatievermogen en heel precieze, niet-poëtische maar wel ambivalente taal.

   We lopen systematisch het perceel af, strook na strook. Het is oneffen, er groeien mij onbekende struiken, resten van oud gewas en droog gras ligt over grote stukken verspreid, het is lastig zoeken. Maar dan toch. Zelfs drie keer springt een oude sensatie in ons op, wanneer we daar onbeschut, in steeds een mooi rond, met strootjes bekleed kuiltje, een broedsje – een volledig legsel van vier eieren – vinden. Van Geel zou het misschien niet tot dichten hebben aangezet, maar mij lijkt de poëzie hier voor het oprapen. Zo denk ik drie keer aan doodsgevaar. We zetten stokjes bij de nesten, registreren de vondsten in onze vogelwacht-app en trekken ons dan terug.

April, vroeg

Lang voor de zon opkomt, in licht
nog nat van nacht, niet één geluid
hetzelfde, ziedend fluiten zij
elkander moord en doodslag toe,
de veren die hun messen slijpen,
de snavels die de zon aanvuren,
de vogels die van licht bedaren.

"Foto van Jack de Boer"
Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

Meer blogs

  • Afbeelding bij Roeien – een liefdesverklaring

    Roeien – een liefdesverklaring

    De encyclopedie van het geluk 30 Ik heb veel nagedacht over de activiteit van het roeien. Gewoon omdat ik veel geroeid heb. En als de mederoeiers de bovenmenselijke goedheid hebben even te zwijgen is er ruimte voor denken. Laatst vertelde ik er iemand over.  Ik roeide op een sloep uit het begin van de eeuw....
    Lees verder
  • Afbeelding bij Broadway the Hard Way – over al of niet uitsterven

    Broadway the Hard Way – over al of niet uitsterven

    De encyclopedie van het geluk 29 Een van de opvallendste straten in New York is natuurlijk Broadway, alleen al op de kaart als je de schuine lijn al die rechte blokken ziet snijden. Het is een mooie, voortdurende herinnering aan wat niet voorbij is: de aanwezigheid van Native Americans in Amerika. Het is oorspronkelijk de...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Collage – over de schoonheid van een snipper

    Collage – over de schoonheid van een snipper

    De encyclopedie van het geluk 28 13 april 1923 arriveert op station Drachten een man wiens belangrijkste bezit een koffer vol papiersnippers is. Hij wordt afgehaald door de broers Thijs en Evert Rinsema, beiden kunstenaar, de eerste ook schoenmaker. Het intieme detail dat de man meteen sympathiek maakt. Lijm moet een redelijk vroeg gereedschap van...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Alexander Baneman"
    Alexander Baneman

    Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.

  • "Foto van Senna Felius"
    Senna Felius

    Senna Felius (1997) is dichter. Ze studeert filosofie en Arabisch en woont in Egypte. Haar poëziedebuut staat in Tirade 487.

  • "Foto van Fannah Palmer"
    Fannah Palmer

    Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.