Een scherp verlangen – over zakmessen

Larousse 26

Het begon ongetwijfeld met een Zwitsers legermes. Rood plastic met een wit kruisje erop. Een hoeveelheid functies: een mes, een klein mesje, een zaag, een nagelvijl, priem, blikopener, flessenopener, een kurkentrekker. Misschien was ik tien jaar toen ik er de eerste keer uiteindelijk eentje kon kopen. Het is eveneens een haptische sensatie: het gevoel van de intens gladde buitenkant in contrast met het gevoel van het scherp van de snede van het mes. Een uiterste eenvoudig mechaniek en er is een wezenlijk verschil met een normaal mes: je kunt hem inklappen, het is een veilig instrument. Het draagt duidelijk een mogelijkheid in zich: in je zak een glad ding, maar opengeklapt iets bedreigends. Een potentie, een zakmes kan iets, maar kan eveneens letterlijk in zichzelf gekeerd in rust zijn.

Ik heb toen ik me minder goed voelde eindeloos zakmessen geslepen: een repeterende beweging met een aangenaam geluid, met als resultaat dat er iets beter wordt, scherper. Het mooie is dit: als je een oud zakmes slijpt, van niet zo hard metaal, verzamelt zich ijzervijlsel op het scherp van de snede. Dat ijzervijlsel kun je fotograferen en uitvergroten en wanneer je dat uitvergroot, lijkt het een bos in de verte, aan de einder: een landschap. Een functie van het zakmes die ik nog niet kende: het kan verte suggereren. Een mes is een symbool, het biedt mogelijkheden, het is geïmplodeerde kracht, verwachting en met zijn talige associaties als ‘scherpte’ en ‘lossnijden’, ‘aansnijden’ beweegt het. Mijn slijplandschapjes tilden me uit de misère naar elders.

Ik kocht twee kleine zakmesjes met een houten heft. Ze kwamen uit Polen. De fabrikant heette Gerlach. In 1760 opgericht door Filip Szaniawski, in 1846 zat de eerste Gerlach in het bedrijf – Samuel – en hij opende een fabriek in Warschau. In de oorlog werd het natuurlijk door de nazi’s onteigend. De mesjes ogen zo oud dat het lijkt alsof ze de Tweede Wereldoorlog nog meegemaakt hebben als stille getuigen van ongelukkige mensen die het tijdperk misschien niet overleefd hebben. Deze mesjes tonen niet alleen een landschap, mogelijkheden maar ook een geschiedenis.

Ik vond een ander zakmes met een benen heft, het is een Sardijns mes: Pattada.  Meer dan een nieuw mes sleept een oud, een geschiedenis met zich mee. Het mes uit Sardinië heeft zo stel ik me voor aan een boer toebehoord. Zo droom ik me de wereld van Salvatore Satta in, met zijn op het Sardijns platteland spelende meesterwerk De dag des oordeels. Ik loop mee door een zonovergoten dal, wijnranken alom, met een wijnboer die hier en daar een wilde loot afsnijdt. Of die voor bij de lunch een tros kleine druiven los snijdt, uit zijn tas een droge worst haalt en een stuk brood. Het Poolse mes heeft een minder bucolisch verleden. Er is misschien wel brood mee gesneden, maar ik situeer het in minder gelukkige tijden. Zo blijkt een mes een sleutel naar historie.

Ik heb er ook met veel recentere geschiedenis. In een kookwinkel kocht ik een knaloranje keramisch zakmesje. Ik had het tot mijn verbazing nog in mijn tas zitten toen ik een maand terug in Parijs naar het Fondation Louis Vuitton ging. Een beter beveiligd museum ken ik niet, maar ik liep met een loeischerp zakmes naar binnen. Plastic en keramiek hadden de metaaldetectors bedot en de beveiligers ervan overtuigd dat ik niet alleen zeer onschuldig was, maar vooral geen instrument tot verwoesting op zak had.

Herinnering aan zakmessen in mijn jonge jaren zijn verbonden met het schillen van takken. Lopend door het bos de bast van een stevige stok afsnijden zodat je een mooi blankhouten wandelstok hebt. Punten snijden aan pijlen, het opensnijden van baguettes, schillen van een bloedsinaasappel, de onthoofding van een eitje. Het ontkurken van een flessen rode wijn naast je tent.

Dit is dus het mes: herinnering, landschap, geschiedenis, mogelijkheid, symbool, taal. Zoveel functies als een Victorinox, en heel andere. Maar er komt er nog een bij: een mes als een symbool van wat je in het hart snijdt, een scherp inzicht waardoor je getroffen wordt, als door een bliksem. Zoals hier in Mary Olivers schitterende gedicht:

Mes

Iets
schoot zojuist
door mijn hart
als het dunste lemmet
toen de roodstaartbuizerd
zijn grote vleugels sloeg
en over de grijs gebarsten
rots wiekte.
Het ging niet
over de vogel, het ging
over de wijze waarop
steen stil
en zichzelf blijft, wat er ook
voorbij vliegt.
Soms als ik zo zit, stil
lijken alle dromen in mijn bloed
en alle buitensporige stukjes tijd
te willen verdwijnen,
uit me wegglijden.
Dan, stel ik me voor, zal ik nooit meer bewegen.
Intussen
heeft de buizerd acht kilometer gevlogen
minstens,
Wie verder nog maar omhoog
keek verbijsterend.
Ik was verbijsterd, maar dat
was het mes niet
Het was de steile, vulkanische wand
van blind gesteente
zonder een greintje hoop
of maar een onvervuld verlangen
inzuigende en weerkaatstend
schitterend
zoals het al eeuwen deed
het vuur van de zon.

Lezen: Salvatore Satta De dag des oordeels, vertaling Frida Vogels

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Theater

Tot tien jaar geleden had ik weinig met toneel, maar heel geleidelijk ben ik er toch in gerold. Het begon met Nita, die me vroeg om mee te werken aan een experimenteel stuk over mannelijkheid.

Ik ontmoette haar in Paramaribo en ze zal daar iets in me gezien hebben, maar ik ben te ongemakkelijk op een toneel; doe te veel of te weinig – ontspannen wordt onmogelijk als er dat soort focus op me staat. Het maken van de voorstelling Amsterman was een leuk proces, maar ik zou zoiets nooit meer doen.

Allebei mijn kinderen gaan sinds jonge leeftijd naar toneelles, en blijken op een podium zo mogelijk relaxter dan erbuiten; vol verwondering kijk ik naar de optredens van mijn zoon Nadim (14) – naar hoe tekstvast hij is en hoe vrij hij zich beweegt.

Een paar jaar geleden raakte ik bevriend met Manoushka, die bijna elke dag optreedt. Naar al haar stukken neem ik ook mijn kinderen mee, en zo waren B, onze dochter Ada (9) en ik afgelopen vrijdag in de Meervaart om Moeder van Europa te zien.

Ga erheen als je de kans nog hebt, het is een belangrijke toevoeging aan je denken over onze geschiedenis. De stukken van Orkater werken – ook als ze voor volwassenen bedoeld zijn – goed voor kinderen omdat er veel muziek in zit.

Zelf had Aad de hele week gerepeteerd voor een stuk dat de dag erna zou worden opgevoerd; mijn dochter was doodmoe en zag bleek als een zeepje, maar ze moest en zou mee naar het theater. Manoushka is de afgelopen jaren ook een vriendin van háár geworden.

Moeder van Europa is een lange voorstelling en Ada, tussen B en mij in op een verhoogde stoel, kon met geen mogelijkheid snappen waar het allemaal over ging, maar ze wilde géén cola of snoep; volgde de acteurs met grote ogen tot het doek om half elf viel.

In de foyer vroegen we haar of ze niet naar huis wilde, morgen was tenslotte haar eigen voorstelling, maar Aad zei stellig dat ze zou wachten op de spelers. Ik keek op mijn horloge, zette mijn boevenpet op en sloop via een verboden gang met haar naar de kleedkamers, waar ze stralend door Manoushka werd ontvangen. Ze kreeg ijsthee van Michiel (uit een eigen koelkast!) en Shahine herkende haar.

‘Ik weet wie jij bent,’ zei hij. ‘Jij brengt mij altijd drankjes als je vader in De Druif werkt.’

Na de ijsthee droeg ik onze dochter naar de parkeergarage, haar armen hingen slap over mijn schouders.

‘Heb je nog dingen,’ vroeg B haar toen we in de auto zaten, ‘waarvan je dacht: die neem ik morgen mee in mijn eigen spel?’

De hoge lampen boven de Pieter Calandlaan schitterden in Ada’s wijdopen ogen; ze knikte traag.

‘Dit,’ zei ze even later, ‘was de mooiste avond van mijn leven.’

De volgende dag speelde ze de sterren van de hemel.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Lezers

‘Ja,’ zei W in het kleine café waar we zaten om een boekje te bespreken dat ik voor haar uitgeverij gemaakt heb. ‘We gaan natuurlijk ten onder met dat hele boekenvak, maar laten we dat dan wél feestelijk doen.’

We nipten van een glaasje crémant terwijl ik bedacht wat een geluk het was om op een zinkend schip te zitten; hoe belangrijk de kleinste dingen dan worden. Een man en een muis die zich zij aan zij vasthouden aan het laatste droge stukje reling, met heel hun wezen opkijkend naar de wolken, naar de zon.

Toen mijn eerste verhaal vijftien jaar geleden verscheen verwachtte ik niet te kunnen leven van mijn eigen werk. Ik geloofde in dat verhaal en in alle verhalen die volgden, maar in mijn tijd en taalgebied is leven van de literatuur onmogelijk. Ik ben groot gekomen in een kleine vijver.

Soms draag ik ergens voor en merk dan hoe oud mijn publiek is – grijze haren in die paar bezette rijen van de schouwburg. Binnen twintig jaar valt de groep die nog opgroeide met lezen en de radio weg.

Toch geloof ik dat er altijd echte lezers zullen zijn, zoals er altijd mensen zullen zijn die willen leren haken, die een obscuur soort keelzang onder de knie willen krijgen, die Sloveens willen leren.

Ik zie ze als ik achter de bar sta in De Druif, zelfs op de drukste avonden: jonge mensen komen binnen met een roman onder hun arm en wachten lezend op hun vrienden – soms blijven ze lezen als die vrienden er zijn.

Een tafel vol open boeken in een druk café – ze ontroeren me, die lezers. Het zijn mensen met een grote interesse in de ander en een nog groter hart, die steeds weer bereid zijn om die eerste stap te zetten, zich over te geven aan dat verhaal. Ze doen moeite om de ander echt te snappen.

Nu ik het zo opsom: als het lezen ooit stopt, dan is de hele wereld reddeloos verloren.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

DE MENS ALS BIOPIC 13 Catherina

Catherina had drie vriendinnen. Deze vrouwen zijn nooit in levenden lijve gesignaleerd. Ze zijn bedacht en op jonge leeftijd overleden. Zo gaat dat met helden, met personages die we kennen van films en televisieseries.

Ik was een seizoen lang scriptredacteur bij een dramaserie over Catherina, Babette, Robin en Donna:

ROZENGEUR & WODKA LIME

Waarom ik voor die klus gevraagd werd weet ik niet meer, en ook niet waarom ik er weer werd uitgegooid. Maar het was een ervaring.

Mensen die werken aan soaps, aan langlopend relatiedrama zoals Oogappels of aan sitcoms bewonder ik. Het is ploeteren. Er moeten dagelijks vingers aan de pols worden gehouden van het publiek, de actualiteit, kijkcijfers en commerciële belangen. En dat allemaal zonder een gram originaliteit en creativiteit te verliezen.

Er wordt nogal lacherig gedaan over dat machinaal produceren van tv-drama, het woord ‘soap’ is spreekwoordelijk geworden. Toch is het juist de anonimiteit van makers en producenten die dit genre zo’n autonome status geeft: het is er gewoon, zoals water uit de kraan, zoals soepblikken van Campbell.

Nog steeds ben ik verbaasd over mijn onstilbare verlangen naar film. Zijn alle dramatische middelen niet allang tot op het bot toe afgekloven? Niet wéér foute ouders, nare kinderen, misdadigers, extraterrestrial aliens, natuurrampen, misbruik. Niet weer een terminale ziekte. Komt er dan nooit dat nou-weet-ik-het-welmoment? Het antwoord is nee. Hoe kan dat?

In dit verband wordt het woord ‘spiegel’ vaak gebruikt, of ‘herkenning’. Maar herken ik mijzelf in een Smurf, in een Marvel-zombie, in een hoogbejaarde courtisane? Niet letterlijk natuurlijk, maar de smurf, de zombie en de courtisane representeren mij. Acteurs, in welke idiote gedaante ook – Sara de Zebra – moeten menselijke emoties vertegenwoordigen, anders zijn ze ongeschikt voor een verhaal. Zo zijn ook Catherina en haar vriendinnen slechts dummy’s gehuld in kostuums van verdriet, ambitie, haat, liefde, angst, zorg en verlangen, heel veel verlangen.

*

Voor ik aan Rozengeur & Wodka Lime begon hield ik me tijdelijk bezig met het ontwikkelen van een daily soap. Ik werd al snel wanhopig van de protocollen, de richtlijnen en wetten die wij als scriptschrijvers dienden te hanteren. Voorbeelden:

‘Scenes met twee mensen die een scène lang op de bank zitten te praten zijn verboden.’

‘Iemand die gaat staan kan niet nog eens gaan staan zonder tussendoor te gaan zitten.’

‘Laat niemand uit het raam staren, want alles is studio.’

‘Laat je karakters ook alledaagse dingen doen: een boodschap, toiletbezoek, een kapotte magnetron e.d.’

‘Zo min mogelijk figuranten.’

‘Overdag wordt er geen alcohol gedronken.’

‘Geen harde seks. Geen lichaamsdelen benoemen.’

‘Vechten tegen tranen levert meer drama op dan de tranen zelf.’

‘Nooit twee onderwerpen in één scène.’

‘Een woord mag maar één keer in de scène gebruikt worden, uiteraard wel lidwoorden.’

‘Gebruik geen stopwoordjes als joh, hé, ik bedoel, trouwens.’

‘Geen scheldwoorden, en nooit koosnaampjes.’

‘Gebruik weinig spreekwoorden of gezegden. Als iemand zegt “We gaan de koe bij de hoorns vatten”, of “Daar kraait geen haan naar”, dan denkt het publiek dat we op een boerderij zijn.’

‘Elke scène moet een mini cliffje hebben.’

‘Buit een conflict uit of pomp het op.’

‘Neem als schrijver je eigen twijfels en óf problemen mee in de scènes.’

‘Dus ga uit van jezelf.’

Dit alles en veel meer verlamde mij. Vooral dat ‘Ga uit van jezelf’ zat me dwars. Schrijvers moeten niet, of zelden, uitgaan van zichzelf. Maar daar zijn de meningen over verdeeld.

*

Ik bel met de ‘echte’ Catherina: actrice, schrijfster en redacteur Sabine van den Eynden. Ik vraag naar haar ervaringen bij R&WL.

‘Toen ik werd toegevoegd aan het R&WL-team waren ze al bezig met de constructie van de vier hoofdpersonen. Het karakter Catherina was gemodelleerd naar mij! Ik was stomverbaasd. “Catherina is impulsief, ongericht, een beetje dom en falend in alles wat ze probeert. De pias, die voor de komische noot moet zorgen.” Ik was diep beledigd en besloot de vergelijking tussen mij en fictieve Catherina te negeren.’

‘Maar had je geen last van alle beperkingen?’ vraag ik Sabine. ‘Want een aflevering moet precies 21’30’’ duren, de grote lijnen worden door anderen uitgezet, je moet bruggetjes maken, rode draden uitzetten, niet te veel informatie in één zin en ritmeverschillen. Dat is toch om gek te worden?’

‘Nee! Ik voelde me juist heel vrij om binnen de situatie waarvoor ik werd ingehuurd ideeën van anderen vorm te geven. Een heel prettige positie, want mijn expertise als schrijver en als vrouw van begin dertig, toen, werden gewaardeerd.’

Ik ben geen Sabine. Ik werd wanhopig van de do’s and don’ts, van al die wetten die soms ook nog ter plekke werden uitgevonden. Als ik voorstelde dat Babette zou zeggen dat… dan riep iedereen: ‘Oh nee nooit! Want Babette is…’

‘En als Catherine nou ‘s…’

‘Zou ze nooit doen!’

Geen Rozengeur & Wodka Lime voor mij.

*

Netflixfilms en -series en ook een nieuw seizoen van Oogappels, dat drama wordt voortaan allemaal geschreven door ChatGPT.

tirade blog Menno Hartman

Blauwbehoefte

Larousse 25

Een ergerniswekkende beperking in mijn voorstellingsvermogen: hoewel ik sinds ik ooit voor het eerst met een vliegtuig boven het wolkendek raakte, weet dat daar blauwe lucht is, kan ik voor mijn welbevinden geen gebruik maken van die kennis. Met andere woorden: onder sombere wolkenluchten somber ik. Terwijl ik weet dat het maar een laagje condens is.

Fragmentarisch blauw

Waarom aandacht besteed aan fragmentarisch blauw
in een vogel, of een vlinder hier en daar,
of in een bloem, een edelsteen, of een oog, waar
de hemelkleur zelf het in lagen toont aan jou?

Omdat de aarde aarde is; niet de hemel nog —
al zijn volgens sommige geleerden aarde en lucht één;
en blauw reikt zo hoog over ons heen
dat het onze blauwbehoefte slechts versterkt, toch?

Robert Frost

Wat mij nou fascineert is waarom de kennis van blauw achter de wolken niet voldoende kan zijn. En ook: hoe leer je te leven onder een grijze hemel in de wetenschap dat slechts een laagje je scheidt van die schitterende kleur? Maar misschien is dat onzin. Een laagje is alles. In de gevangenis scheidt slechts een laagje je van de vrijheid. Houd ik – zoals Frost suggereert – van de ijsvogel, van korenbloemen en van de vlindertjes icarus- bos- en heideblauwtje en de steen lapis lazuli omdat ze me een schok van heldere hemelliefde toedienen? Misschien wel.

Van lange, bepakte wandelingen met een loodgrijze Schotse, Waalse of Scandinavische lucht waar gestaag regen uit klettert, herinner ik me het de horizon afgrazen naar een teken van licht. ‘Daar wordt het al wat lichter!’ en dan, als er een stipje blauw verschenen is, de extase, en de ik neem aan oud Hollandse kleermakerswijsheid dat ‘zolang je er geen pak uit kunt snijden’ het niet zal gaan doorzetten…

In Dordrecht in het museum fotografeerde ik zondag alle ‘Hollandse Meester-blauwtjes’ die ik tegenkwam. ‘Aandacht besteed aan fragmentarisch blauw’ noemt Frost dat.

De elementaire vraag blijft; hoe ontwikkel je de wetenschap van blauw achter de wolken? Blauwbesef? Het voortdurend geruststellend weten dat het tijdelijk is wat je bedrukt? Een vraag die velen kwelt in bijvoorbeeld de lange, lange februarimaand. Ik herinner me een uitzending met Kees Momma, ’s lands beroemdste autist, die niet van ‘mooi weer’ houdt. Gewoon weer, dat was fijn, en dat is helemaal bewolkt. Hij heeft dus onder meer op mij voor dat hij eenvoudigweg niet lijkt te verlangen naar blauw. Of? Wie heeft het meteorologisch nu het best in Nederland, Kees of ik? Het KNMI zegt: ‘Gemiddeld over het hele land neemt het aantal zonuren in de loop van het jaar toe van 68 uur in januari tot 92 uur in februari, 144 uur in maart en 194 uur in april. Dit komt doordat de dagen langer worden en het overheersende weertype verandert gedurende het jaar. Normaal is eind mei, begin juni de zonnigste periode van het jaar. Daarna ontstaan er door de grotere warmte landinwaarts gemakkelijk stapelwolken, waardoor het hartje zomer in het algemeen iets minder zonnig is dan aan het eind van het voorjaar. In het najaar en de winter kan het dagen achtereen grijs zijn. Januari telt normaal (landelijk gemiddeld over het tijdvak 1991-2020) negen zonloze dagen, februari zes, maart vier en mei nog maar één dag zonder zon.’ Voor Kees wordt het vanaf nu minder.

Het zijn twee verschillende zaken: hoewel blauw impliceert dat er zon is, en er dus meer licht is en alle kleuren feller oplichten, wat op zich al helpt, gaat het me eigenlijk specifiek om de aanwezigheid van blauw, ook een klein beetje. Want een klein beetje blauw is een opening, een opening naar iets anders, impliceert ruimte, verder kunnen kijken. Betekent ook contact met de wereld: kijken naar iets dat een levend wezen duizenden kilometers verderop ook kan zien. Het gegeven dat blauwe lucht rijmt met blauwe zee, de associatiekracht van de kleur dus ook. Ook sterren zien (geen zon, maar geen wolken) heeft een gelijksoortig effect: de opluchting van ruimte. En dat dichte bewolking een dwangbuis is, iets wat je ergens vanaf houdt. Misschien betekent bewolkt voor mij claustrofobisch. En is dat voor Kees juist geruststellend: een afgemeten wereld.

Geweldig is dat een gedicht over blauwe lucht al helpt: de verrekijker wordt in werking gesteld. En of Frost dat nu vreemd vindt of niet: een pimpelmees helpt met zijn beetje blauw ook al.

Er is blauw achter wolken.

Lezen: Elisabeth Lockhorn En blauw zal alles zijn. Een bloemlezing
Maggie Nelson Bluets

Luisteren: Reinhard May – Über den Wolken

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Humor

Toen onze zoon geboren werd, toen ze hem in mijn armen legden, gebeurde er iets onverwachts. Zijn verbijsterde gezichtje kwam mij als dat van een totale vreemde voor.

Ondanks de waarschuwing van een vriend die eerder dan ik vader was geworden, was ik van een onmiddellijke lichamelijke herkenning uitgegaan, maar hier was een hele nieuwe persoon met wie ik – als was ik zonder uit te kijken een hoek om gerend – plotseling te maken had.

In mijn herinnering duurde dat onwennige een halve dag, daarna was Nadim volop de mijne. Best kort als je bedenkt dat je geen woord met zo’n kind kunt wisselen. Daarna leerde ik hem in stappen beter kennen: toen hij begon te lachen, te eten, te praten – telkens bleek hij los van mijn verwachting en meer zichzelf. Daarna ging hij schrijven, appen: weer een nieuwe man om te ontdekken.

Bij het uitharden van zijn gevoel voor humor komt Nadims persoonlijkheid tot in de laatste puntjes uit de verf. Humor is natuurlijk al heel vroeg aanwezig, maar ik doel hier op de dingen die hij grappig vindt nu hij (op zijn veertiende) een nagenoeg volwassen begrip heeft.

Vorige week moesten we naar een afspraak bij de specialist. Zijn appgedrag is vaak gekmakend, zo kortaf dat het bot aandoet. Nu was ik bereid twee uur van mijn werkdag op te offeren om hem te steunen bij iets wat hij makkelijk zelf kon.

Dag lieve man, schreef ik. Heb je een fijn dagje? Je weet dat we zo een afspraak hebben, toch? Ik ga met je mee, hoor. Kun je me bij De Balie ophalen na mijn werk, of ga je van school naar huis en fietsen we vanaf daar als we een boterham gegeten hebben?

Na een paar tellen schreef mijn jongen: Thuis

Jezus, stuurde ik. Je weet dat je voor appjes niet per letter betaalt, hè?

Even knipperden de puntjes bovenin het scherm. Hij antwoordde met alleen de letter J

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Het oude thuis - over het geluk van herinneren

    Het oude thuis - over het geluk van herinneren

    Larousse 24 Ik rust met mijn hoofd tegen een tuinmuur in Lissabon. Een muur aan mijn rechterzijde is begroeid met wingerd. Links klatert een fonteintje. Vannacht werd ik wakker met gierende doodsangst. Ik dacht dat ik dat wel achter me gelaten had. Ik word nooit meer zo wijs als ik was toen ik 30 was....
    Lees verder
  • Afbeelding bij Telefoon van school

    Telefoon van school

    Toen ik in de pauze van mijn les gehaast naar buiten ging om mijn voicemail af te luisteren bleek het bericht dat ik gekregen had niet van de school van mijn zoon. Het kwam van de speciaalzaak die mijn rijbewijsfoto had gemaakt; het bestand bleek beschadigd – of ik deze week nog langs kon komen....
    Lees verder
  • Afbeelding bij Winterslaap

    Winterslaap

    Ik heb nog nooit zo uitgezien naar de lente. Elke ochtend is als opstaan uit het graf – alsof ik me diep onder de grond bevind en me aan de randen van een koude kuil moet ophijsen. Dit mag geen gotische vertelling worden; wat ik bedoel is dat ik de hele tijd moe ben. Ook...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Kevin Headley"
    Kevin Headley

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

  • "Foto van Jack de Boer"
    Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

     

  • "Foto van Lodewijk Verduin"
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.