Winterslaap

Ik heb nog nooit zo uitgezien naar de lente. Elke ochtend is als opstaan uit het graf – alsof ik me diep onder de grond bevind en me aan de randen van een koude kuil moet ophijsen.

Dit mag geen gotische vertelling worden; wat ik bedoel is dat ik de hele tijd moe ben. Ook als ik om halftien al in mijn nest lag kost het me de grootste moeite ontbijt voor mijn gezin te maken, Ada naar school te brengen, aan het werk te gaan.

Misschien hoort dit allemaal bij mijn herstel na een lange slopende periode. De afgelopen zomer was de eerste in drie jaar die ik bewust heb meegekregen – ik was nog aan het ontdooien toen de eerste herfststorm zich weer meldde.

Een alternatieve of parallelle verklaring voor mijn vermoeidheid zie ik in de jaarringen van bomen.

In een klimaat met seizoenen maken bomen elk jaar een nieuwe laag hout aan. De brede lagen in de dwarsdoorsnede van hun stam ontstaan in de lente en zomer, de smalle komen van de herfst en winter.

Donkere en koude maanden zien dus nauwelijks groei. De boom spaart dan haar krachten, trekt zich in zichzelf terug om in de lente weer volop uit te lopen; ook mensen zijn gevoelig voor licht en temperatuur.

Er is heel veel in mijn dagen en weken om naar uit te zien – ik houd van mijn werk en vrienden, van mijn buurt en stad, maar als B me bij het ontbijt vraagt waar ik vandaag zin in heb dan zeg ik dat ik alleen maar wil slapen.

Ik geloof dat het van groot belang voor vrouwen is om op de werkvloer rekening te mogen houden met hun cyclus. In het verlengde daarvan wil ik signaleren dat de aarde en alles wat daarop leeft ook een cyclus heeft, die nog niet eens in het dénken over onze arbeidscultuur wordt meegenomen.

_______________________________________________

De poes op de foto doet het nog één keer voor

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

DE MENS ALS BIOPIC 12 Joop den Uyl

Denkend aan Mark Rutte zie ik een appel en een fiets, bij Jan Peter Balkenende een skateboard en bij Ruud Lubbers vrijwel niets, maar denkend aan Joop de Uyl: de Lockheed Affaire!

Regisseur Hans Hylkema vroeg of van die monarchie-ondermijnende affaire een televisieserie gemaakt zou kunnen worden. De VARA was geïnteresseerd en later ook het Mediafonds.

We gingen aan de slag.

*

Op de achterzijde van de intussen uitgebrachte dvd-box staat:

Den Uyl en de Affaire Lockheed is een onthullende serie over het grootste corruptieschandaal dat Nederland ooit gekend heeft. In februari 1976 wordt bekend dat een hoge regeringsfunctionaris smeergeld heeft aangenomen van vliegtuigfabrikant Lockheed. Het wordt snel duidelijk dat hiermee prins Bernhard wordt bedoeld. Het land is in rep en roer. Juliana dreigt met aftreden. De monarchie wankelt. Wanneer uit solidariteit met de prins hoge militairen zich met de zaak gaan bemoeien en het volk openheid van zaken eist, kan minister-president Den Uyl een beslissing niet meer uitstellen.’

De serie moest honderdvijftig minuten lang worden. Dat is pittig. Wat laat je zien? Wat wordt het vertelperspectief? Willen we knallende ruzies tussen de koningin en haar man, geheime deals in exotische hotels, Joop op de koffie bij Juliana, geschreeuw in de ministerraad, de opstand der Uilskuikens – Joops zeven kinderen?

Dat hebben we allemaal gebruikt in de serie, maar het centrale conflict, het grootste gevecht, voltrekt zich toch in Joops hoofd. Kiest hij voor monarchie of republiek? Hij is geen monarchist maar is wel gevoelig voor de samenbindende symboliek van Oranje: ‘Ik weet niet of ik Nederland een sprookje moet afnemen. Zo’n koningshuis is… poëzie in een vaste vorm.’

En zo zitten we drie delen lang te kijken naar een al wat oudere, rommelig geklede politicus met een gewetenskwestie.

*

Drie delen lang kijken naar een aarzelende minister-president, is dat wel boeiend? Ja nou!

In dramatheorieën komt het begrip Twijfel er weliswaar bekaaid van af, maar toch speelt het in elke vertelling een rol van betekenis. De vraag: wil ik verder leven of maak ik er een eind aan, domineert ons dagelijks leven. Het antwoord daarop doet ons handelen, of opzettelijk niet-handelen.

De beroemdste twijfelaar ooit is Shakespeares Hamlet. Juist zijn níet-handelen na de moord op zijn vader is het fundament van dat lange, propvolle toneelstuk. Alle scènes komen voort uit Hamlets zelfonderzoek.

In duizenden films zijn twijfels de kern, de motor van het verhaal.

– Zal ik uit de kast komen?

– Is de verdachte ten onrechte veroordeeld?

– Gaat hij of zij toch weer vreemd?

– Kan ik… wel betalen?

– Is rechtvaardigheid belangrijker dan verliefdheid?

– Hoe ga ik mijn misdaad maskeren?

– Met welke leugens kan ik…?

– Moet ik Nederland verlossen van een koningshuis?

*

Deze laatste vraag geldt natuurlijk voor Joop den Uyl. In onze tv-serie is hij een spiegel die meningen, beschuldigingen, laster en dreigementen slechts incasseert en reflecteert. Hij besluit niet. En juist dat wordt spannend. Er wordt van alle kanten op hem ingepraat.

IN DE MINISTERRAAD:

‘Het kan bloederig worden, Joop.’

‘Hoe kunnen we de monarchie redden en toch Bernhard straffen?’

‘Hij hoort in de Bijlmerbajes.’

‘Die mof van Soestdijk is nu al bezig hoge officieren te mobiliseren voor een Burgeroorlog.’

Tot slot minister DRIES VAN AGT:

‘Een ieder is gelijk voor de wet, maar Gods Gratie treft alleen het koningshuis.’

PRINS BERNHARD:

‘Waar rook is, daar is vuur? Wat is dat voor geouwehoer, mijnheer Den Uyl!

‘Henry Kissinger, Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken is van mening dat ons Atlantisch militair industrieel stelsel niet ondergraven moet worden door een linkse, wraakzuchtige rakker uit Holland!’

DE KINDEREN DEN UYL:

‘Hoe is het met de zakkenvuller van Soestdijk?

‘Pa… Je bent een kruiperige hermelijnluis.’

‘We zijn van plan het Paleis op de Dam te kraken.’

ECHTGENOTE LIESBETH:

‘Vind je het zwaar, Joop?’

JULIANA:

‘Ik zal mijn man nooit voor het oog van de wereld het schavot op duwen.’

‘U zelf heeft een doos sigaren van Fidel Castro aangenomen, mijnheer Den Uyl.’

GOLDA MEÏR (premier van Israël 1969-1974):

‘Jouw regering, Joop, heeft Israël gered, moreel en letterlijk, met wapens, gevechtsvliegtuigen, van alles. Prijs God daarvoor.’

BEATRIX

‘Als mijn vader een strafklacht aan de broek krijgt dan zal ik mijn moeder níet opvolgen.’

                                                       *

Aan het slot spreekt Den Uyl in de kamer van minister Vredeling de militaire top van Nederland toe: ‘Dit betekent dat Prins Bernhard eervol wordt ontslagen als inspecteur-generaal van de krijgsmacht, dat hij al zijn functies in het bedrijfsleven op moet geven en dat hij zich niet langer in het openbaar in uniform dient te vertonen.’

En Juliana schrijft: ‘Geachte heer Den Uyl, Ik ben u intens dankbaar voor de zware operatie die u op mijn man heeft uitgevoerd. Ik ben ervan overtuigd dat dit tot zijn uiteindelijke herstel zal leiden.’

                                                    *

Tijdens de aftiteling verschijnt de tekst: ‘Op dat moment wist vrijwel niemand van het bestaan van geheime bijlagen, waarin staat dat Prins Bernhard ook van de Northrop-vliegtuigfabriek en van andere multinationals smeergeld toegestopt heeft gekregen.’

*

  • De rol van Joop Den Uyl werd schitterend gespeel door Joop Keesmaat. Medeauteur Hans Hylkema regisseerde prachtig. De serie Den Uyl en de Affaire Lockheed werd bekroond met de Lira-scenarioprijs 2013.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Ballen

Dit is de eerste keer in vijftien jaar dat ik ga zeuren in een column, maar als een grote groep mensen in deze samenleving zich chronisch misdraagt, dan moeten we daar toch echt iets mee.

Ik zeg dit niet om mijn gram te halen of anderen te kwetsen; ik zeg het omdat het gedrag van deze groep volgens mij kan worden bijgestuurd, waarna we weer met zijn allen door een deur kunnen.

In het café waar ik elke donderdag barman ben, komen alle leeftijden en geaardheden kopstootjes drinken. Schippers, schrijvers, metaalbewerkers, instrumentenbouwers, voormalig wapenhandelaars, studenten en veroordeelde drugssmokkelaars – iedereen is welkom.

Er is maar één groep waar ons personeel het moeilijk mee heeft, en dat zijn ballen. Mocht je niet meteen weten wat ik met ballen bedoel, dan ben je er waarschijnlijk een. Gelukkig heb ik ook een checklist:

  • Heb je geen vrouwelijke vrienden en ga je nooit met minder dan vier man op stap?
  • Als jullie naar een café gaan, roep je dan bij binnenkomst meteen de barman bij je zodat hij kan staan wachten terwijl je rustig inventariseert wat je maten willen drinken – inclusief Friso, die eerst nog even naar de plee moet?
  • Als zo’n barman na een paar minuten wegloopt, mopper je dan tegen je maten over de service?
  • Sta je het liefst bij die opening in de hoek van de bar waar het personeel erlangs moet om andere gasten te bedienen? En tikt zo’n barman je dan élke keer aan als hij erlangs moet, waardoor je geïrriteerd raakt en steeds trager aan de kant gaat?
  • Heb je de neiging om lege bierglazen in je linkerhand te stapelen en een vol glas in je rechterhand te houden?
  • Voel je na acht bier de aandrang om sigaretten te bietsen van die twee jonge meiden aan de bar, hoewel ze minder dan een kwart van jouw salaris verdienen?
  • Vind je na negen bier dat het wel eens tijd wordt dat het café een rondje geeft?
  • Vind je het na tien bier absurd dat je je glas niet meer mee naar buiten mag nemen en los je dat op door je glas in de zak van je jasje mee naar buiten te nemen?
  • Als de barman je daarop aanspreekt, geef je hem dan gelijk, om daarna tegen je maten te zeggen dat dit echt een kutkroeg is en dat die eikel naar zijn fooi kan fluiten?
  • Vind je wel eens dat er over die sluitingstijden écht niet zo moeilijk moet worden gedaan, helemaal – je wilde er niet over beginnen, maar je doet het tóch – gezien wat je hier verdomme voor een geld heen draagt?
  • Vind je na de laatste ronde dat er wel eens rondje van het huis mag komen en weet je heel zeker dat dit niet de tweede keer is dat je hierover begint?
  • Vind je fooi – ook als het personeel zich gewoon onderdanig heeft opgesteld – onnodig?
  • Sta je in je recht om woedend te zijn als die eikel van een barman een kwartier na sluitingstijd je nog halfvolle bierglas (waarvoor je óók nog betaald hebt) voor je neus weghaalt?
  • Heb je na sluitingstijd wel eens in de plantenbak op het terras van een café gepist omdat het personeel het daar echt naar gemaakt had?
  • Zou je ook maar één barman van het café waar je al jaren komt herkennen als je die op straat tegenkwam?

Als je op een of meer van bovenstaande vragen ja zou antwoorden en op die laatste nee, dan ben je een bal.

Maar ik ben hier dus niet om mijn gram te halen. Ik kom ook met een oplossing.

Ik stel een buddysysteem voor, waarmee we jouw complexe groep op weg helpen naar meer aansluiting met de rest van onze maatschappij.

Wat nou, als elke bal een bijbal kreeg?

Iemand die met je meegaat naar dat café, die er voor je is op al die lastige momenten.

Die je laat zien dat het ook anders kan.

Elke donderdag sta ik geheel tot jouw beschikking.

_______________________________________________________

De mannen op de foto zijn barmannen, en stellen zich op vrije avonden belangeloos ter beschikking als bijbal

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Jonge mensen

Voordat ik achter de bar begon te werken bij Café De Druif wist ik dat het personeel een stuk jonger zou zijn dan ik. Ik maakte me daar geen zorgen over, omdat er in mijn eigen vriendenkring ook een paar twintigers zaten – de communicatie met hen was nooit problematisch.

Ik had er alleen niet bij stilgestaan dat die jonge vrienden allemaal schrijver waren – zoals ik hier al eerder zei: bejaarden in het lichaam van een twintiger. De mensen met wie ik nu bier ging tappen waren gemiddeld vijfentwintig en geen van allen schrijver. Een klein jaar bleek nodig voordat ik alle grappen snapte; de afkortingen in onze appgroep.

Ik heb me ongetwijfeld aangepast aan deze nieuwe omgeving, maar de reden dat ik nu totaal geen kloof meer ervaar zit meer in de aard van het werk: druk, sociaal, fysiek. Het is krap achter dat barretje, je bent al lichamelijk met elkaar vertrouwd voordat je weet hoe iemands ouders heten, wat iemand studeert.

Tegenwoordig zou ik met elk van mijn collega’s wel een weekend weg willen; daar ging het deze week ook over toen ik met drie van hen uit eten ging – dat we dat misschien een keertje moesten doen.

Als ik met Yuma, Vik en Lieve uit ben dan pak ik op geen enkele manier een seniore rol, en je zou je kunnen afvragen waar het dan zo’n hele avond over gaat. Ik ben er heel veel van vergeten, maar we spraken zeker over eten, over Yuma’s nieuwe baan en over dat weekendje weg.

Over ieders wensen voor de toekomst ging het ook; daar kan ik nog goed in mee – wie geen wensen voor de toekomst heeft leeft zonder hoop, en ik ben van plan om tot het bittere einde hoopvol te blijven.

Bovenal geloof ik dat onze gemene deler de humor is, de zelfspot – er zit daardoor een lichtheid onder zelfs de zwaarste onderwerpen.

Ik ben blij dat ik nog elk jaar nieuwe en diverse vrienden maak. Zoals cryptogrammen je cognitief op peil houden in de jaren van verval, zo houden die contacten me warm en verbonden op een leeftijd waarop de sociale cirkel van de meeste mensen aan een onherroepelijke krimp begint.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

DE MENS ALS BIOPIC 11 H.N. Werkman

Saaie mensen, dat zijn de beste. Voor een goed verhaal moet je bij hen zijn.

In de film Being There, gebaseerd op een roman van Jerzy Kosinski, moet tuinier Chance (Peter Sellers) na het overlijden van zijn rijke werkgever de ommuurde tuin van zijn baas verlaten. Nooit heeft Chance – middelbare leeftijd – met eigen ogen gezien wat zich achter de tuinmuren afspeelt. Saaaai! Nu moet hij via de voordeur naar buiten want zijn werkgever is er niet meer.  Daar buiten loopt ’t goed af. Chance wordt bijna president van de Verenigde Staten en hij kan lopen over water.

*

Het zijn onverwachte gebeurtenissen – ziekte, werkloosheid, sterfgeval, brand, misdaad, oorlog – die van een nobody een schitterend filmkarakter kunnen maken. Ook in ons eigen voortkabbelend bestaan kan zo’n externe factor van u en van mij een profeet, een moordenaar maken. Dan staan we eindelijk op en begint ons verhaal.

Hendrik Nicolaas Werkman (1982–1945) was zo’n onopvallende man: een goed huwelijk, kinderen en als chef werkzaam op een drukkerij. Lopend in zijn donkere pak over de Grote Markt van Groningen groette hij links, rechts en tikte daarbij tegen zijn hoed. Dat hij een groot liefhebber was van jazz, van moderne kunst en zich identificeerde met Charlie Chaplin, daar liep hij niet mee te koop. Zelf maakte hij ook kunst, soms schilderijen, maar vooral kleurige prints vol sterk gestileerde of geheel abstracte composities van in de ruimte zwevende letters, cijfers, contouren en symbolen.

Er zijn kunsthistorici die na Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan Hendrik Nicolaas Werkman als nummer vier plaatsen in de rij van Nederlands grootste kunstenaars. Daar ben ik het mee eens.

Maar toen werd het oorlog.

Het ging slecht met de zaak. De moffen vonden drukkers verdacht, want zij konden persoonsbewijzen vervalsen. Maar wat Werkman tijdens de Bezetting het meest trof was de repressie tegen joden. Hij had onder hen vrienden en klanten, voor wie hij jarenlang kalenders, geboortebewijzen en ander drukwerk voor maakte.

Hendrik Werkman trok zich terug op een zolder, zes verdiepingen hoog aan Lage der A nummer 13. Daar richtte hij een privédrukkerijtje in en zou daar gedurende de oorlogsjaren zijn mooiste werken maken, zoals de serie Vrouwen-eiland en de reeks Chassidische legenden.

*

De NOS-televisie vroeg of ik een scenario over Werkman wilde schrijven. Ik wist vrijwel niets over hem, besloot het te proberen en noemde de film Ik ga naar Tahiti, Werkman was namelijk gek op de schilder Paul Gauguin, met zijn liefde voor dat Zuidzee-eiland en de heerlijk geurende vrouwen aldaar. Werkman noemde zijn atelier Mijn Tahiti.

In de eerste filmbeelden zien we Werkman – muzikaal gesteund door Burnin’ the Iceberg van Jelly Roll Morton – over de doodstille Lage der A lopen. Een zware, zwarte handschoen daalt neer op zijn schouder.

Waar ga we naar toe?

Ik… ga naar Tahiti.

Dan gaan wij met uw mee.

Naast Werkman staan daar jodenjager Pieter Schaap en zijn assistent Capelle. Er volgt een beklimming over al die trappen naar het atelier, waarbij Schaap grapjes maakt over zijn geboorteplaats Zandvoort. Daar verhuurde hij strandstoelen aan katholieke meisjes met katholieke kontjes. Eenmaal boven bekijken Schaap en Capelle al die rondom opgeprikte, kleurrijke prints van Werkman.

CAPELLE: In plaats van de schilder hebben ze z’n werk maar opgehangen!

SCHAAP: Wie maakt er in godsnaam een groen paard met rode stippen?

WERKMAN: Ja, dat valt zeker niet goed te praten, mijnheer Schaap, maar ik heb geen persoonsbewijzen vervalst.

SCHAAP: En wat hebben we hier? Cha… ssii… Chassidische… dat is toch joodse Schweinerei!

Welke beeldend kunstenaar kan zijn werk verdedigen als er een gewapende poëzieloochenaar voor hem staat? Is deze strijd tussen beul en slachtoffer dus bij voorbaat beslist? Dat zou jammer zijn, want in een goed filmverhaal moeten slachtoffers ook een wapen hebben, moet een goede afloop voelbaar en/of denkbaar zijn, anders is er geen spanning.

Maar Werkman kan geen kant op, dus móést ik een ontsnapping voor hem verzinnen: een letterlijke vluchtweg, of een goddelijke ingreep. Dat werd niemand minder dan Charlie Chaplin.

Tegen de binnenkant van zijn schedel projecteert Werkman oude filmscènes waarin Charlie – een eeuwig slachtoffer – het wint van zijn vaste vijand de reus Big Bully die, oh toeval, sprekend lijkt op Pieter Schaap. In de film Easy Street bijvoorbeeld buigt Chaplin een gaslantaarn om, drukt het hoofd van Big Bully in de korf en zet de gaskraan open. Om deze herinneringen moet Werkman tijdens zijn arrestatie en latere gevangenschap weer glimlachen. De slapstick lijkt hem te verzoenen met zijn lot. Daarbij zorgt de gelijkenis tussen Werkman en Chaplin en tussen Big Bully en Pieter Schaap voor wat lichtheid in de film.

*

Drie dagen voor de bevrijding van Groningen, op 10 april 1945 – de Canadezen staan al in Assen – wordt Hendrik Nicolaas samen met negen anderen door Pieter Schaap op het Mandeveld te Bakkeveen middels een nekschot doodgeschoten. Geen aangifte, geen proces, geen veroordeling. Dat groene paard met rode stippen werd hem fataal.

Stalen vuist en rappe hand, zo is het volk van Nederland!

Het laatste wat Hendrik Werkman – én dus ook de camera – ziet voor hij sterft, is een vrolijk dravend paard aan de overzijde van het veld, een wit paard met zwarte vlekken.

*

  • Ik ga naar Tahiti, dramaturgie Dick Willemsen, met in de hoofdrollen Hans Dagelet en Peter Tuinman, werd geregisseerd door Gerard Verhage en bekroond met de Prix Italia voor het beste internationale televisiedrama van seizoen 1992.
  • Pieter Schaap werd in 1949 ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.
Foto van Ger Beukenkamp
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

Psychologie – over kleur in het leven

Larousse 23

Hoe het licht door het raam valt bepaalt bij glas-in-lood hoe kleurig de afbeelding wordt. In de nacht is er geen kleur. Generaties kerkgangers moeten op sombere en op zonnige dagen tijdens lange kerkdiensten afdwalend de vergelijking hebben getrokken tussen stemming en kleur. Lang voor de psychologie gemeengoed werd. De kerkvloer is steengrijs, óf spat van de kleuren. Somberte is alomtegenwoordig óf het leven lacht je toe.

In Paustovski’s Tijd van de grote verwachtingen beschrijft hij een reporter-collega Arenberg in Odessa die altijd staat te dansen van geluk als er iets gebeurt: ‘Het leven zelf als perpetuum mobile met al zijn details en verwikkelingen, intrigeerde hem, los van wat dit met zich mee kon brengen: geluk of ongeluk. Natuurlijk was dit ook wel belangrijk voor hem. Maar op de tweede plaats.’  

Dat is misschien iets om naar te streven: in dat geval schijnt het licht door alles wat je meemaakt, er gebeurt zoveel interessantst op dit moment! Venezuela! Groenland!

Hoe je te wapenen tegen wat het leven voor je in petto heeft kun je heel goed leren in case studies van psychologen en psychiaters. Ik las onlangs een heel geweldige: The Examined Life van Stephen Grosz. En ik bleef tijdens het lezen maar roepen dat dit een heel belangrijk boek is. Portretten van worstelende mensen, zoals waargenomen door een goede psychotherapeut, kunnen extreem leerzaam zijn. De menselijke geest is veelzijdig en soms bizar, maar vertoont op cruciale momenten ook veel consistentie en althans overeenkomst of gelijksoortigheid. Er is aan te sleutelen. Met andere woorden: van andermans geestelijke problemen kun je enorm veel oppikken. In afdelingen met titels als ‘beginnen’, ‘liegen’, ‘liefhebben’, ‘veranderen’ en ‘vertrekken’ voert Grosz enkele tientallen van zijn patiënten op die hem een inzicht brachten, en daarmee de lezer aan een geweldig inzicht kunnen helpen. Het boek is kristalhelder, empathisch en zeer weldoordacht geschreven. Ik stond half genezen op uit de divan waarin ik had liggen lezen.

In The New Yorker las ik over Oliver Sacks, die andere meester van de case study. Is het nou erg dat hij veel van zijn personages opgeladen heeft met zijn eigen persoonlijke worstelingen en bijzonderheden, karaktereigenschappen? Wel als je een groot geloof hecht aan non-fictie: de feitelijkheden. Dat heb ik denk ik nooit gedaan. Waarheid en waarheid zijn in geschreven teksten verschillende dingen: van mij mag je inzichten vanuit verschillende personages samenvoegen. Het wordt daarmee minder waar en meer waar tegelijk.  Alleen zul je het wel moeten melden. Als je toegeeft dat je fictionaliseert is er geen probleem.

Hoe echt zullen de case studies in de befaamde Psychopathica Sexualis van Richard Freiherr von Krafft-Ebing zijn? Bestaan zulke bizarre seksuele aberraties wel? Het vreemde van dit boek is dat je in al die werkelijk afgrijselijke seksuele afwijkingen zo’n groot medeleven voelt met de mensen die hieraan lijden. Dat is ook wat overheerst in het Oliver Sacks’ verhaal: hoe komt een man van zijn intelligentie en vooral van zijn kennis van de psychiatrie tot het bewust een groot deel van zijn lange leven onderdrukken van zijn homoseksualiteit? Het is een zeer droevige geschiedenis. Hij lijkt weliswaar weloverwogen maar toch een principieel verkeerde keuze te hebben gemaakt.

Intussen koos hij blijkbaar voor Arensbergs oplossing: hij verlustigde zich in al het interessants wat er op de wereld te zien was zonder al te veel met geluk of ongeluk bezig te zijn. En maniakaal schrijven. Anderhalf miljoen woorden per jaar.

Voor hem pakte dat alles denk ik niet zo goed uit.

[…]

Ik ben moe, ik denk
waaraan ik niet denken kan – aan de stilte die heerst
in een bos, als de vogels al slapen,
aan het naderende einde van de zomer.
Ik hou mijn handen tegen mijn hoofd,
als wilde ik het beschermen tegen vernietiging.
Van buiten gezien kan ik welzeker
onbeweeglijk lijken, haast levenloos,
berustend, beklagenswaardig.
Alleen is dat niet waar – ik ben vrij,
misschien zelfs gelukkig.
Ja ik houd mijn handen tegen
mijn zware hoofd,
maar daarin wordt juist een gedicht verloren.

Uit Adam Zagajewski, ‘Zelfportret in een vliegtuig’, vertaling Karol Lesman

Fascinerende verzamelingen case studies:

Stephen Grosz The Examined Life. How we lose en find ourselves
Douwe Draaisma Ontregelde Geesten
Oliver Sacks The Man Who Mistook his Wife for a Hat
Irvin D. Yalom Staring at the Sun: Overcoming the Terror of Death
Richard Freiherr von Krafft-Ebing Psychopathica Sexualis


Konstantin Paustovski Tijd van de grote verwachtingen, vertaling Wim Hartog

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Feestweek

    Feestweek

    Toen ik jong was – onder de vijfenveertig – heette de periode tussen kerstavond en nieuwjaarsdag onder mijn vrienden De Feestweek. Er gold dan één harde regel: als een vriend je smste dan moest je komen. Ik herinner me karaoke-zingen in een verder lege Meander op Eerste Kerstdag; bachata dansen (wat ik eigenlijk niet kan)...
    Lees verder
  • Afbeelding bij De gelukkige tijdsprong – over je hoofd als schedel

    De gelukkige tijdsprong – over je hoofd als schedel

    Larousse 22 Ian McEwans recente roman What we Can Know speelt gedeeltelijk in de toekomst. Twee wetenschappers in een Engeland dat alle schade van de klimaatcrisis al heeft ondervonden, zoeken naar informatie over een dichter die in onze tijd leeft en een sonnettenkrans schreef: een ‘corona’, zoals dat genoemd wordt, waarbij het 15e en laatste...
    Lees verder
  • Afbeelding bij DE MENS ALS BIOPIC 10 Soekarno

    DE MENS ALS BIOPIC 10 Soekarno

    Jochies waren we, op een lagere school in Amsterdam Noord. Nu staan we op een filmset achter het Tropenmuseum. Hans Hylkema regisseert er de televisiefilm Soekarno Blues. Ik schreef samen met hem het scenario en mag hier even figureren als particulier secretaris van koningin Juliana. Vanuit het Oosterpark zwaait de president van Indonesië naar ons....
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Foto van Willemijn Kranendonk
    Willemijn Kranendonk

    Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.

  • Foto van Koen Dobbelaer
    Koen Dobbelaer

    Koen Dobbelaer (2000) is schrijver, scenarist en voormalig kindacteur. Deze zomer studeert hij af van de studie Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht met het filmscenario Een Film Over Familie, een absurdistisch drama over de drang naar maakbaarheid. Dit najaar verschijnt de door hem geschreven film De Laatste Dag in het Leven van Walterus.

  • Foto van Lodewijk Verduin
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.