[p. 163]
Tonnus Oosterhoff
Gerrit van Houten, kunstschilder te Groningen, 1882
Hadden Den Haag en Frankrijk er maar niet moeten zijn.
Oom Mesdag zegt dat ik afkijk. Tante zegt
de aardbeien zijn van haar.
(Omdat ze oud zijn zeggen ze dat.) Rozen en petunia’s.
Ik doe tenmínste mijn best.
Mijn denkbeelden verdragen niet dat erover gedacht wordt.
Als twee schilders sleutels schilderen schilderen ze sleutels.
Een voorjaarsboom is een voorjaarsboom en die van mij is zo slecht niet.
Vader is kwaad op Oom en Tante.
Alleen nog Damsterdiep hoor. Alleen nog Gerrit.
Ze zullen raar kijken in Den Haag en Frankrijk.
[p. 164]
1891
Mijn handen worden lui mijn ogen.
Ik zie niets bijzonders meer
(toen keek ik nog af).
Als ik mijn hand zie tekenen, mijn hand
zie tekenen tot het te vermoeiend wordt (zegt Tante Jo uit Friesland hier).
Dik en onzindelijk van opwinding wordt hij, ik.
Schrijf maar een brief aan je Moeder dag Moeder
ik voel me goed Tante Jo is verdronken in een sloot.
Gerrit bladert in een boek met plaatjes die er al zijn.
[p. 165]
Gerrit van Houten stichting
Doel is ons bewaren van en bekendheid geven aan Gerrit,
wat niet vooruitgaat, alleen terugkijkend.
Wij zijn Broers en Zusters
zijn wat hij wou bewaarheid,
de oude eettafel is de bestuurstafel.
We hebben ons voor hem te drogen gelegd.
Rondleiden, zalen huren en door onze Broer gemaakte
deurpanelen tonen tegen de verdrukking in
is het doel van en zullen eensgezind
Alida, Samuel, Jan en Sientje.